Hoofdstuk 1.3

MEISTER ECKHART HIER EN NU

INHOUD

VOORWOORD

BOEK 1 REALISATIE
INLEIDING
1.1 LEVEND ZEN
1.2 LIED VAN VOL-LEDIGHEID
1.3 MEISTER ECKHART HIER EN NU

BOEK 2 VERNIEUWING
INLEIDING
2.1 DE BOODSCHAP
2.2 l’ORIGINALI
2.3 HEMEL OP AARDE

BOEK 3 INTEGRATIE
INLEIDING
3.1 STROOMSYSTEEM EN OPTIMALE VITALITEIT
3.2 GIDS VOOR ZELFINTEGRATIE
3.3 HEEL HET LEVEN
DE EENHEID MET JEZELF

BOEK 4 ACTIE
INLEIDING
4.1 ONTWAAKT!
4.2 HET GROTE LEERPROCES
4.3 HET LICHTENDE MIDDEN

MEISTER ECKHART

1260-1329

Geboren in adellijke familie. Als 15-jarige intrede in de Dominicaner Orde. Studeert te Erfurt en Keulen. Magister in de godgeleerdheid. Naar Parijs gezonden. Contakt met het „pantheisme“ van Amalrik van Bena. Heeft verlichtingservaringen die hem tot eenwording met de Oergrond, het Niets, aan „gene zijde“ van God brengen. Staat innerlijk vol-ledig binnen de traditie van Neo-platonisme en gnostiek. Als zodanig hoogtepunt van de westerse spiritualiteit, de mystiek (de ervaringskant van spiritualiteit) overstijgend. Preekt in het duits voor kloosterlingen. Is tegelijkertijd de grote inspirator van de Broeders en Zusters van de Vrije Geest. Wordt provinciaal van Saksen en vicaris-generaal van Bohemen. Hij doorkruist voortdurend grote gebieden te voet. Zijn Zelfrealisatie - in de grond onverzoenlijk met het christelijk geloof - brengt hem in conflikt met de kerkelijke autoriteiten. Wordt door de Inquisitie op 27 „ketterse“ stellingen veroordeeld. Sterft tussen 1327 en 1329 ergens tussen Keulen en Avignon.

BEWUSTWORDING

Wordt bewust temidden van de dingen en sluit het in je hart in. Laat deze tegenwoordigheid van geest ten allen tijden in je gevoelsleven, je levenshouding en je wil doorklinken. In je meditatie besef je hoe dicht je bij jeZelf bent; hou nu ditzelfde bewustzijn vast in het gevoel van alledag en koester het in je werk. Als je op deze manier zorgt voor een gelijkblijvende op God gerichte instelling, dan kan niemand Zijn tegenwoordigheid in jou verstoren.

Er zijn meerdere wegen naar gelukzaligheid. Wat de een doet, doet de ander op een andere manier. Daarom moeten wij beseffen hoe onterecht en onrechtvaardig wij handelen, wanneer wij bijvoorbeeld een bijzonder mens leren kennen of van hem of haar horen, wiens spirituele weg een andere is dan de onze en deze mens om die reden afwijzen. Je zou anderen in hun eigenheid moeten respecteren en er nooit op afgeven. Terwijl je je eigen weg volgt, maak je je tevens vertrouwd met de voortreffelijkheden van anderen. Dat is echter geen reden om je weg en je manier van doen te veranderen. Want verandering van wijze en doen maakt je innerlijk labiel. Sta dus open voor anderen zonder ze direct achterna te lopen. Wie zo denkt en doet, handelt in een bepaald opzicht juist. In een ander opzicht handel je juist wanneer je alles op je weg neemt zoals het is, in het groot of in het klein, in lief en leed, zonder tussen het een of het ander onderscheid te maken. Als je het een zwaarder weegt als het andere, dan heb je nog niet de juiste instelling. De bewust levende mens blijft innerlijk altijd gelijkmatig. Hoe zit dat? Nu, wie zich over het ene verheugt, het andere echter betreurt, wie de ene keer blij is en dan weer ontstemd, diegene is nog ver van de goede weg. Wie daarentegen werkelijk en onvoorwaar-delijk van zichZelf houdt is in zichZelf verankerd: het is je innerlijke kern die je liefhebt. Niets kan je daarvan wegtrekken, hij of zij is op niets anders gericht. Zoals een leraar heeft gezegd: waar de ziel liefheeft, daar is zij meer wezenlijk aanwezig als waar zij actief is. Deze woorden zijn simpel en niets buitengewoons en toch zeg ik je: alleen wie bewust wordt, begrijpt alles wat ik gezegd heb.

Aanvaarden wij alles op onze weg, lijden wij omwille van de gerechtigheid, dan is er vrede in ons. Maar klaag dan niet! Klaag er alleen over dat je nog klaagt. Klaag erover dat je nog zo ontevreden bent, dat je teveel hebt! Want wie alles toelaat, weet zowel in gebrek als bij overvloed te ontvangen. De bewust levende mens wordt door leed en ongemak even weinig aangetast als God. Bewuste acceptatie transformeert alles in vreugde en zin. Het onrecht heeft geen vat op hem, want al het betrekkelijke ligt ver beneden hem of haar en heeft geen invloed meer.

De mensen moeten niet zoveel nadenken over wat ze zullen doen, maar meer over wat ze zouden moeten zijn. Zouden ze de juiste instelling hebben, dan zou hun handelen vanzelf oplichten. Als jij helderbewust bent, dan is jouw handelen dat eveneens. Vereenzelvig je dus niet met activiteit, maar met het zijn. Want ons doen en laten heiligt ons niet. En ook al zijn het nog zulke zinvolle dingen die wij doen - ze heiligen ons niet in het geringste, maar alleen in de mate waarin wij bewust zijn, in zoverre wij de juiste instelling hebben, heiligen wij al ons doen - of het nu eten, slapen, waken of wat dan ook is.

Bewustwording betekent tevens, dat je zonder waarom handelt. Wil je dus een bewust persoon zijn, vraag dan nooit naar het waarom, niet met betrekking tot het tijdelijke noch het eeuwige, bekommer je noch om wereldse beloningen noch om de eeuwige zaligheid. Want al het handelen dat je niet om zichzelf doet, maar met welke bijgedachte dan ook, is dood. Het heeft niets te betekenen, het bederft alles.

In een bewust mens is uitsluitend God werkzaam. Niets van buitenaf mag je tot activiteit aanzetten. Want alle handelen dat van buitenaf wordt aangezet, is onvruchtbaar. Als jouw werk leven en vrucht wil voortbrengen, dat moet God je innerlijk aanraken in het diepste innerlijk van je ziel, in de bodem van je wezen en je van daaruit tot handelen bewegen. Want alleen daar is leven. Daarom leeft ook alleen die activiteit, die je vanuit je innerlijk aanzet, die je vanuit je wezen volbrengt.

Wie een zuiver innerlijk wil bezitten, vrij van alle vereenzelvigingen, die moet zich van alle bindingen ontledigd hebben, zodat je een mens aan de andere kant van de zee, een die je nog nooit gezien hebt, al het goede net zo gunt als een vertrouwde vriend dichtbij. Zeker zolang je nog jezelf meer goeds wenst als degene die je nog nooit gezien hebt, ben je nog verkeerd ingesteld en heb je nog geen contakt met je wezen.

Niemand is zo onvoorbereid, dom of ongeschikt dat hij of zij zich niet met God zou kunnen verenigen. Ben je bereid om je wil werkelijk en helemaal in die van God te laten opgaan, dan hoef je alleen maar te zeggen: „Heer toon mij uw wil en geef mij de kracht haar te vervullen“ - en God doet het en geeft in overvloedige rijkdom. De geringste onder ons kan dit ten deel vallen, in hetzelfde ogenblik als waarop je dit leest, zowaar God leeft en ik mens ben! Daarom zeg ik jullie: wees niet bevreesd. Deze vreugde is jullie niet ver als je haar echt zoekt. Dat wij God dus mogen volgen, opdat onze wil een wordt met de zijne - daartoe helpe ons God.

Welnu beste vrienden, men zegt dat je zo bewust zou moeten worden, dat je door geen liefde meer bewogen zou kunnen worden en onverschillig blijft ten opzichte van lief en leed. Dit is niet zo. Ik beweer dat de eerste verlichte nog geboren moet worden, die niet meer bewogen wordt. Van de andere kant beweer ik echter ook: een verlichte kan het in dit leven wel zover brengen, dat hij of zij vast in zijn of haar wezensgrond verankerd is en niets hem of haar daar uit kan halen. Jullie dachten, dat zolang woorden bij jullie nog vreugde of verdriet teweeg kunnen brengen, jullie nog niet vol-ledig zouden zijn. Niets daarvan. Er is nog nooit een verlichte geweest, die geen pijn of vreugde voelde. Wel is er geen enkele aanleiding van buitenaf in staat je uit je bewuste aanwezigheid te trekken, eenvoudig omdat deze je in je kern niet echt weet te raken - daar waar je verankerd bent in je wezensgrond.

Het gaat er niet om, of je aandacht altijd even groot is, maar dat je je rekenschap geeft over hoe je instelling en wil gericht zijn. Dan gaat het maar om een ding: dat je met je wil op God gericht bent, dat je deel van het Grote Geheel wilt zijn en om die reden zelfbetrokkenheid afwijst. Waaraan je dan gelijk kunt zien, hoe het met je gesteld is. Leeg van jezelf betekent vol van het Geheel. Vanaf het moment dat je je niet meer met jezelf identificeert en alles wat daaruit vootkomt, neemt het Grote Bewustzijn, dat de liefde zelf is, in zijn gehele volheid bezit van je.

Zolang indrukken of gedachten nog verschillende reacties in je oproepen, zul je je ongelukkig blijven voelen. Nu is er in de diepste laag van jezelf iets wat aan God verwant is, ja met hem een is - iets wat ver staat van al het geschapene: een enkelvoudig en op zichzelf betrokken iets dat op de dingen van buitenaf totaal niet reageert. Precies zo zou de mens zichzelf moeten zijn, uniek en volstrekt zonder gelijken, alleen zo ben je in wezen aan God gelijk. Want dit is God’s wezen en natuur: zonder gelijken te zijn, op niemand gelijkend. Dat wij in die eenheid die God zelf is mogen zijn, daartoe helpe ons God.

Wanneer een bewust mens van buitenaf schade berokkend wordt en hij of zij blijft goede moed houden en een onverstoorbare vrede in zijn of haar hart voelen, dan wordt bevestigd wat ik heb beweerd, namelijk dat geen enkele aanleiding een bewust mens echt kan ontstemmen. Komt hij of zij daarentegen door dingen van buitenaf in problemen, dan zou het te wensen zijn, dat dit ongemak iemand die zich inbeeldt op de juiste weg te zijn zou overkomen. Dan weet je hoe het werkelijk met je gesteld is. Vanuit je wezensgrond ben je echter niet meer ontstemd, doch uitsluitend vreugdevol aanvaardend!

Wij zouden ons geen moment van God gescheiden moeten voelen. Wat ons van hem scheidt is alleen de buitenkant, in ons wezen zijn wij nu en altijd een met God.

Er is nog nooit een mens door de dingen-zelf ten val gekomen, maar alleen daardoor, dat hij of zij daarvoor uit zijn of haar bewuste aandacht weggetrokken was en hij of zij zich met iets van buitenaf identificeerde. Velen, zegt een leraar, hebben licht en waarheid gezocht, echter uitsluitend buiten zichzelf, daar waar zij niet te vinden zijn. Zij vervreemden dan zover van zichzelf, dat zij zichzelf niet meer terug kunnen vinden. En de waarheid hebben zij niet gevonden, want die is alleen innerlijk, in je wezensgrond te vinden en niet daarbuiten.

In God is er noch droefheid, noch lijden noch ongemak. Wil je dus vrij zijn van alle ongemak en lijden, hou je dan alleen aan God. Al je lijden komt alleen daardoor, dat je je niet naar binnenkeert en terugkeert in God. Als je alleen in hem geborgen zou zijn, dan zou er niets meer zijn waaraan je leed. Dan is noch God noch schepsel, het zichtbare noch het onzichtbare in staat je te laten lijden: heel je wezen, leven en weten, je voouitzien en werken is uit God, in God, ja is God zelf.

Geen vat kan twee dranken tegelijkertijd in zich opnemen. Wil je het vullen met wijn, dan moet je het water er tot de laatste drup uit laten lopen. Daarom: wil je de vreugde van het Geheel in je opnemen, dan moet je noodzakelijkerwijs het deel weg laten vloeien. Wat moet opnemen en ontvankelijk wil zijn, dat moet eerst leeg zijn. Hoe meer je daardoor in jezelf kunt toelaten, des te onvoorwaardelijker en omvattender neemt je ziel op, voelt zij des te grotere vreugde en wordt zij des te inniger een met het opgenomene. Totdat de diepste grond van de ziel 1), dat leeg is van alle dingen en niets meer gemeen heeft met het vergankelijke, niets minder dan God zelf in zijn wezen opneemt. En de meesters zeggen, dat deze eenwording met geen enkele aardse vreugde te vergelijken is.

1) Eckhart gebruikt de woorden „ziel“, „geest“ en „wezen“ nogal eens „door elkaar“. Tegenwoordig wordt onder ziel psyche; onder geest echter Zelf, bewustzijn of wezen verstaan. Bij Eckhart is het begrip „ziel“ vaak zeer ruim: zij omvat tevens haar wezensgrond, het bewustzijn.

Nogmaals: Al het lijden komt door de identificatie met en het vasthouden aan het vergankelijke. „Je hechten aan“ is het begin van het lijden, lijden is het eind ervan. Treur ik nog om het vergankelijke, dan hecht ik mij er nog aan en had ik God dus niet lief met die totale overgave die hij van mij eist. Geen wonder dus dat verlies en daardoor verdriet over mij komt.

Wie daarentegen God in zichzelf aanwezig weet, die weet en ziet hem in alles. In al het geschapene is God hem even nabij. Een wijze zegt: God heeft zijn net in al de levende wezens uitgespreid, dusdanig dat je hem in ieder van hen kunt vinden en herkennen - als je het maar wilt zien! Je beseft God pas echt, wanneer je jezelf in alles herkent. Een leven van drukte en rust geleefd vanuit God, is goed. Een leven vol problemen en pijn, voortdurend geduldig aanvaard is beter. Maar drukte vanuit een bewust innerlijke gelatenheid in een leven vol pijn en moeite - dat is het allerbeste. Loop door de natuur, voel je voetzolen en wordt bewust, bezoek een markt en ervaar hetzelfde. Heb je echter een rustige plek nodig om meer jezelf te zijn, dan ben je nog niet stevig genoeg in je innerlijke gewaarzijn verankerd. Want het Bewustzijn is overal hetzelfde en in gelijke mate aanwezig, in alle dingen evengoed als op alle plaatsen: het geeft zichzelf ononderbroken. En alleen diegene heeft zichzelf werkelijk gevonden, die het overal in gelijke mate weet te verwerkelijken. Je hoeft God dus niet overal te gaan zoeken. Hij staat namelijk vlak voor de deur van je hart. Daar staat hij en wacht op jouw bereidheid om hem open te doen en hem binnen te laten. Je hoeft hem niet eerst uit de verte dichterbij te halen. Hij wacht ongeduldiger dan jij om opengedaan te worden. Hij verlangt duizend maal intenser naar jou als jij naar hem. Daarom gaat het maar om een ding: dat jij jezelf voor hem opent zodat hij naar binnen kan. Geen mens heeft ooit bij benadering dat sterke verlangen gehad dat God heeft om een mens zover te krijgen, dat hij of zij zich voor hem openstelt. God is altijd en voortdurend bereid. Diegenen die onvoorbereid en afgesloten zijn, dat zijn wij. God is zo dichtbij, wij echter ver van hem en van hem afgekeerd. God is binnen, wij leven aan de buitenkant. God is in ons thuis, wij zijn echter vreemden voor onszelf!

Stenen en bomen hebben ook Bewustzijn - maar ze weten het niet. Zou de boom weten van God en zich bewust zijn hoe dicht hij bij God is, dan zou de boom dezelfde gelukzaligheid bezitten als de hoogste engel. De mens is alleen daarom gelukzaliger dan een boom, omdat hij God herkent en weet hoe dichtbij hij is. En hoe meer hij hem bewust is, des te meer geniet hij hem. Deze vreugde komt niet omdat God in ons is en dus zo dichtbij, maar uitsluitend daardoor dat wij ons bewust zijn van zijn nabijheid, dat zijn liefde en aanwezigheid de onze is.

Besef je dat Verlichting al in je is? Verlichting - dat is totale zelfoverstijging met al zijn innerlijke rijkdom en vervoering. Als het in je doorbreekt en je doorstraalt, dan hoeft niemand je meer iets wijs te maken. Je weet nu zelf van het Eeuwig-Onkenbare.

De uitdrukking „hemel“ duidt op een geheim, op iets verborgens: de onuitsprekelijke Oergrond. Deze is zo geheim en ontoegankelijk, dat geen enkele mens dit met zijn verstand kan bevatten. Een leraar zei echter, dat het onuitsprekelijke ook in het diepste van je innerlijk aanwezig is. Echter dermate verborgen, dat alleen degene die zich ervan bewust is het kan weten.

Op deze manier is je ziel dus een goddelijke en spirituele „hemel“, waar in haar wonderbaarlijke diepten God in het verborgene zijn volmaakte werkzaamheid ontplooit. Evenals bij de sterrehemel de kosmische krachten door de oneindige oerstilte worden aangezet, zo sprak een meester over de krachten van de innerlijke hemel. Hij wil daarmee onze aandacht vestigen op de dynamische kant van ons bewustzijn, datgene wat zich openbaart zodra ons innerlijk niet-doen totaal is. Dit is dan onze hemel geworden, het onbegrijpelijk goddelijke in ons. Het „Rijk Gods“: dat is God-zelf in zijn volle werkzaamheid. En dit „Rijk“ is in ons, in ons wezen. Zo zou je het kunnen opvatten: ons wezen is het Rijk Gods. En daar zou alle zorg en zoeken naar toe moeten gaan. Dat wij de heerlijkheid van ons Zelf en daarmee die van God bewust mogen worden.

Wil je wezensgrond voor het Goddelijke geheel doorgankelijk zijn, dan moet zij drie voortreffelijke eigenschappen bezitten: eeuwigheid, emanatie en het uitstralen van zijn eenheid in veelvuldigheid. Enige uitleg is wellicht op zijn plaats. Ten eerste zou je psyche zich open moeten stellen voor het ongedeelde en eeuwige van zijn eigen wezensgrond en zich bewustworden hoe zijn vergankelijke natuur door de inwerking van het Goddelijke deel heeft aan zijn eeuwige zaligheid. Waar de „geest“ het lichaam niet meer volgt in het najagen van wereldse genoegens, daar wordt zij geest met een lichamelijke uitdrukking. Vanaf dat moment kan zij niet meer vernietigd worden, kan zij vanuit de kwaliteit van hemels wezen niet meer in het lijden terugvallen. Zij is daarentegen zo in haar diepte verankerd, dat dood noch leven, diepte noch hoogte of wat dan ook haar uit haar onwankelbare goddelijke positie kan losmaken.

Ten tweede emaneert de ziel. Met haar wezen en natuur is zij de zonsopgang vanuit het kosmische hart, de goddelijke Moeder, in wie ononderbroken de innerlijke zon opgaat: haar eniggeboren zoon, het innerlijke licht - het zichtbare aspekt van datgene wat zichzelf genoeg is. Deze, de zichzelf bewustgewordene, keert nu weer terug en versmelt met de kosmische Oergrond, daar waar zij als kosmisch wezen thuishoort. En wanneer de ziel met haar wezensgrond in het Zijn terugvloeit als zijnde haar oorspronkelijke woonplaats, dan is alle rijkdom van de hemel voor altijd de hare.

Ten derde stromen uit deze spirituele hemel, uit je eigen wezen dus, kosmische energie en vertroosting. God laat zijn kosmische kracht in de ziel invloeien, zodat zij uit zijn inwerking macht en kracht ontvangt om haar wezen, activiteit en leven door te kunnen geven aan datgene wat onder haar staat: haar energie, de activieit van het lichaam, aan haar doen en laten in de wereld, dusdanig dat deze van binnenuit leven en overeenkomstig vrucht zullen dragen. Evenals God uitsluitend de beweger van de sterrehemel is, de krachtbron van waaruit de hemel kracht en impulsen ontvangt, zo is God in dit leven ook alleen maar de beweger van onze wilsvrijheid die naar hemzelf en al zijn goede werken teruggaat. Achter deze eeuwig in zichzelf terugkerende sterrehemel bevindt zich echter een onbeweeglijke hemel, en deze is pas de plaats van uiteindelijke gelukzaligheid.

Hier woont God in zijn ware aard en volbrengt als het eeuwig Goddelijke zijn werk. De kosmische Oergrond brengt, als voortdurende en nooit ophoudende innerlijke activiteit, de wezensgrond van al het levende voort. Oergrond en wezen zetten beide de kosmische energie - de ziel - in gang, terwijl alle drie in essentie toch een Oergrond zijn.

Pas wanneer je deze kwaliteiten van het Goddelijke kent, heb je de volle gelukzaligheid verwerkelijkt. Daarom moet de ziel, nu dat ze de „lagere“ hemelsferen achter zich gelaten heeft en zichzelf in haar wonderbaarlijke diepten gevonden heeft, opgaan in de gelukzaligheid van de uiteindelijke in zichzelf rustende Stilte. Op deze manier wordt de ziel een hemelse woonplaats van het Eeuwig-Goddelijke, zodat de laatste zijn kosmische activiteit in de eerste volbrengt. In de ziel baart het kosmisch Ondoorgrondelijke nu zijn wezensgrond. En omdat dit wezen weliswaar uit de Oergrond voortkomt, maar er tegelijkertijd toch in verblijft, daarom woont de Oergrond in onze ziel.

Er is een lichtpunt in onze ziel, die omdat het Goddelijk is en er altijd al was, onbeweeglijk is, nooit verandert en er altijd zal blijven. Met dit goddelijk lichtpunt in onszelf een worden, dat is het doel van alle verinnerlijking. Ik heb ooit beweerd en beweer het nog, dat ik nu reeds alles in mij draag wat mij in eeuwigheid zal toevallen. Want God met al zijn gelukzaligheid en de volheid van zijn goddelijkheid woont in de grond van mijn ziel. Maar hij is voor ons verborgen. Deze kosmische schat is door de tijd en de verscheidenheid van het manifeste ondergespit, niet in de laatste plaats door onze psychische en mentale activiteit, kortom onze identificatie met het vergankelijke. In die mate waarin je ik zich stukje bij beetje van zijn identificaties kan losmaken, wordt in jou het Goddelijke blootgelegd. Hier is je wezensgrond God. In deze toestand omvat je alle dingen en heb je, evenals God, de beschikking over hen. Hier ontvang je niets meer - noch van God noch van het geschapene. Want hier ben je wat je bezit en alles komt alleen uit jeZelf. Hier zijn wezensgrond en het Goddelijke een.. Eindelijk heb je het „Rijk Gods“ gevonden.

Het innerlijk waarin je God geboren wil laten worden, moet je heel doorgankelijk laten zijn en helemaal uit zichzelf laten leven. Enkelvoudig en zo bij zichZelf, dat het niet door de vijf zintuigen op sleeptouw genomen wordt en zich vereenzelvigt met de verscheidenheid van het zichtbare, maar vol-ledig een is met het meest heldere, kostbaarste en klaarste dat zij bezit. Hierbij is het even noodzakelijk, dat je beseft van je innerlijk afgesneden te zijn, als de beoefening van de juiste verinnerlijking en aandacht. Niet met de bedoeling echter om er zelf beter van te worden, maar uitsluitend om niet door het uiterlijke uit jeZelf weggetrokken en misleid te worden. Hou je daarom zo dicht bij God, dat je hem dichtbij je vindt, wanneer hij wil terugkeren om zijn werk in de ziel te voltooien.

Wanneer je ontvankelijk bent voor de ware verinnerlijking, laat dan moedig al het uiterlijke vallen - zelfs de oefeningen waar je je door gelofte toe had verplicht. Kijk liever of het vruchtbaar is en naar je instelling in plaats van naar het uiterlijke doen alleen. Laat je altijd leiden door wat je het dichtst bij de waarheid brengt.

In het opgaan in God overstijgt het hart al het uiterlijke en betrekkelijke. Geef je helemaal over aan die dingen, die je het gemakkelijkst afgaan. Hindert je daarentegen iets zoals bijvoorbeeld je meditatie, het vasten of wat dan ook, laat het vallen zonder bezorgd te zijn dat je iets verzuimen zou. God interesseert zich niet in wat je doet, maar uitsluitend in je innerlijk gewaarzijn en je liefde.

De weg naar binnen bestaat daarin, dat je je vol-ledig afwendt en afsluit voor alles wat niet voor honderd procent goed en goddelijk is, in ons en in de wereld. Tegelijkertijd open je je vol-ledig en vastbesloten voor het Goddelijke in onvoorwaardelijke overgave. De manier waarop dit jou het beste afgaat, dat is voor jou precies de juiste weg. En hoe meer je dit beoefent, des te vruchtbaarder is je verinnerlijking.

Ga na waar je grootste zwakheid ligt en probeer daar alert op te zijn. Dat draagt meer tot je innerlijke vrijheid bij als wanneer je bijvoorbeeld af zou zien van alle eten. Besef echter, dat het soms moeilijker is een woord binnen te houden als helemaal te zwijgen; een kleine onbetekenende belediging te verdragen als een reusachtige klap waar je je op ingesteld had; moeilijker alleen in de massa te zijn dan in de eenzaamheid; moeilijker van iets kleins af te zien als van iets groots; moeilijker ook een onbeduidend werk uit te voeren dan iets wat je belangrijk vind. Zo een met God zou je moeten zijn, dat in alles wat je wil je niet de behoefte meer hebt je in je doen en laten op te vallen en je te onderscheiden. Mijdt in het bijzonder alle exentriciteit, zowel met betrekking tot eten alsook je kleding, de manier waarop je spreekt en je gedraagt, voor zoverre ze voor je innerlijk leven geen betekenis hebben.

Het gaat erom in alle dingen voortdurend op het Goddelijke te zijn afgestemd, dan komt alles goed. Met zo’n instelling kun je zonder schade aan jezelf functies aannemen en bezittingen hebben. Maar dit alleen, dat wanneer je aanzien geschaad wordt of je verliezen lijdt, je die evenzeer vrijwillig accepteert. Evenzo kun je je bewust lekker eten gunnen als je daarnaast bereid bent om te vasten.

ZELFOVERSTIJGING

Ik heb oprecht en met grote inzet onderzocht wat de grootste en uiteindelijke kwaliteit is, waardoor je het Goddelijke het dichtst nabij komt en opnieuw je wezensgrond wordt zoals die oorspronkelijk in het Grote Geheel was, voordat al het zichtbare geschapen werd - en wanneer ik alles wat daarover geschreven is tot op de bodem naga, dan vind ik niets verhevener en zuiverder dan het van alle dingen lege innerlijke gewaarzijn.

Maak je vrij van alles wat niet bij je past, wat voor je wezen vreemd en niet essentieel is: alles wat je aan het betrekkelijke doet hechten en je daardoor verdrietig maakt. Richt je daarentegen altijd naar het heilzaam gewaarzijn, waarbij je God in je Hart draagt als een aanwezigheid waarvan je ononderbroken getuige bent. Wanneer je al je doen en laten hier bewust op richt, dan zal de Vol-Ledigheid je op een gegeven moment toevallen.

Ik zou hier echter tegen in kunnen brengen: wie kan zo’n op God onafgewende blik volhouden? Antwoord: niemand hier op deze aarde. Ik heb het je ook alleen maar daarom gezegd dat je weet, wat het hoogste is en waarnaar je je verlangen en inspanningen moet richten. Ga dus voortdurend opnieuw terug naar dit getuige-zijn, opdat je de Vol-Ledigheid steeds meer nadert en laat, voor zover je het enigszins mogelijk is God je enige doel en toevlucht zijn.

Dit is zeker: als je jezelf niet ontspannen kunt loslaten, dan vind je voortdurend en overal alleen maar hindernissen en onvrede. Vrede zoeken in uiterlijke dingen - op bepaalde plaatsen, activiteit, via mensen of werk, door kluizenaar te worden, armoede of opoffering, hoe vroom het er ook uitziet - dat stelt allemaal niets voor en geeft je geen vrede. Als je zo zoekt, zoek je verkeerd. Hoe meer je daarin doorgaat des te minder vind je wat je zoekt. Op een gegeven moment kom je er niet meer uit.

Echt bewust besef hebben betekent, dat je geest in alles wat je overkomt - zowel in lief als leed, in eer evenals in schande - als een brede berg onbeweeglijk staat ook al is er wind of storm. Dit onbeweeglijke innerlijke gewaarzijn is datgene wat je het meest op het Goddelijke doet gelijken. Want wat God God doet zijn, is zijn onbeweeglijke Alomtegenwoordigheid. Daar komt zijn zuiverheid en onwrikbaarheid uit voort. Als je dus aan God gelijk wilt zijn, dan kan dat alleen door ditzelfde bewustzijn. Het verplaatst je in de toestand van helderheid en eenheid, van bewuste aanwezigheid en standvastigheid. Het zijn deze eigenschappen die de gelijkheid tussen jou en God bewerkstelligen.

Geloof mij: het gaat er niet om, dat je alleen helder bent op momenten dat je je met God bezighoudt, maar om de voortdurende beoefening van je bewuste aanwezigheid, een die altijd maar doorgaat. Dat maakt ons pas ontvankelijk voor de vreugden en genaden van God en voor God die daar achter is. Ben je onvoorbereid, dan maak je het geschenk echter kapot.

Velen roemen de liefde als het hoogste. Ik echter stel het ongehechte bewuste gewaarzijn boven de liefde. En wel hierom. Het beste aan de liefde is, dat zij mij uitnodigt God lief te hebben. Nu is het echter veel belangrijker, dat ik God bij mij - als mij bij God uitnodig en wel hierom, omdat mijn gelukzaligheid afhangt van het al of niet eenworden met hem. Waar het nu om gaat is, dat God gemakkelijker in mij kan komen om zich met mij te verenigen dan ik met hem.

Dat nu speciaal het vrije innerlijke gewaarzijn God in mij uitnodigt, kun je begrijpen uit het volgende. Ieder wezen woont het liefst in zijn eigen huis. God’s natuurlijke en meest eigen woonplaats is de eenheid. Deze berust echter op het in zichZelf rustende bewustzijn. Daarom kan God er niet omheen zich aan de innerlijk vrijgemaakte mens te geven. De tweede reden waarom ik de innerlijke „afgescheidenheid“ 2) boven de liefde stel is, dat je door de liefde alles duldt om God’s wil, terwijl het Zelfbewustzijn je voor God Zelf ontvankelijk maakt. En dat is het hogere. Want in het lijden houdt de mens zich altijd nog bezig met de oorzaak van zijn lijden. In je bewuste aanwezigheid sta je daarentegen buiten alle oorzaak en gevolg. Deze innerlijke helderheid staat zo dicht bij het zuivere Niets, dat er niets is, dat subtiel genoeg is om in haar te wonen behalve God. God is zo simpel en fijn, dat hij alleen in hetzelfde - een helderbewust innerlijk - opgenomen kan worden.

2) Eckhart gebruikt de term „afgescheidenheid“ voor het bewuste gewaarzijn dat vrij is van elke identificatie. In de andere hoofdstukken van dit boek betekent het precies het omgekeerde: de van zichZelf en zijn omgeving „afgescheiden“ en vervreemde mens.

Weer anderen prijzen de nederigheid aan als de hoogste aller deugden. Ik echter plaats de vrije geest boven alle deemoed. Een van mijn redenen is de volgende. Totale nederigheid buigt zich voor de wereld - waardoor de mens zich met die wereld identificeert. Bewust gewaarzijn blijft echter zichzelf. Het bemoeit zich niet met het betrekkelijke. Het heeft er geen behoefte aan zich te vernederen, noch zich te verheffen. Het hoeft niet dit of dat te zijn. Het wil uitsluitend in zichZelf rusten en met zichZelf een zijn. Wie nog dit of dat wil zijn, die wil nog iets. Een innerlijk lege geest wil echter niets zijn.

De zo vrijgeworden geest trekt in zijn bewuste aanwezigheid God’s eigen wezen naar zich toe. God kan zich echter alleen maar schenken aan zichZelf. Daarom moet hij zich wel aan de innerlijk bewuste mens geven. Dat betekent echter: de mens wordt een met het Eeuwige.

Wie zich openstelt voor het innerlijk ontwaken en het Zijn, die moet daartoe een ongestoorde rustige plek vinden. Verder moet je lichaam uitgerust zijn van het werk - niet alleen van het lichamelijk werk, maar ook van het spreken en alle zintuiglijkheid. In het zwijgen kun je het beste je innerlijke helderheid bewaren. Is je lijf daarentegen niet uitgerust, dan word je gemakkelijk door vermoeidheid en gedachten overweldigd. Dan kun je alleen nog met grote moeite en overgave je helderheid bewaren.

Stilte en zwijgen zijn voorwaarde voor het ontvankelijk-zijn voor je diepste intuities. Stilzijn is daarom het beste, dan luister je het beste. In dit totale loslaten van het verstandelijke weten, begrijp je het ook pas echt. Daar waar jezelf niets meer weet, daar bewijst en openbaart het zich.

Als God alleen in het wezen en de grond van onszelf werkzaam is, waarom zouden wij ons dan nog druk maken over ons dagelijks functioneren? Dat is een goede vraag waarop ik als volgt zou willen antwoorden. Ieder mens doet zijn of haar werk met een doel. Het doel heeft zijn begin in je voorstellingen en zijn eind in het werk. Ook God werkt aan een doel: Zichzelf en aan het richten van al jouw activiteit op datzelfde doel: je wezen. God verricht al zijn werk, opdat al je activiteit gelijkgericht wordt. Alles van je innerlijk wordt hierbij gemobiliseerd.

Nu is je aandacht en activiteit echter naar buiten gericht en verstrooid, vereenzelvigd met de verschillende functies. In de kracht van het oog, het luisteren met het oor en het smaken met je tong. Hierdoor zijn de functies overeenkomstig zwakker geworden om zich naar binnen te richten. Want iedere opgesplitste en uitgewaaierde kracht is niet wat hij oorspronkelijk was. Als je dus naar binnen toe een krachtige werkzaamheid wil bewerkstelligen, dan moet je al je energie terughalen en haar terugtrekken uit de verschillende activiteiten. Dit kan alleen maar, wanneer je de vereenzelviging met jezelf en de buitenwereld opgeeft. Alleen in niet-weten omtrent al het uiterlijke vind je je wezensgrond.

Wanneer je innerlijk werkzaam wilt zijn, moet je je hele aandacht naar binnen richten en je daarin concentreren, je als het ware in een hoek van jezelf terugtrekken, je ontdoen van alle beelden en voorstellingen en dan kan het gebeuren. Dan raak je in een vergeten, in een niet-weten omtrent de uiterlijke dingen.

Sommige mensen trekken zich uit alle activiteit terug en willen graag alleen zijn. Zij zeggen dat zij dat voor hun concentratie nodig hebben. Anderen verklaren dat zij in de kerk moeten zijn om in aandacht te komen. Is dat alles nodig? Beslist niet. Laat ik je zeggen waarom niet. Als je in aandacht bent, dan ben je dat op alle plaatsen en bij alle mensen. Als je echter niet in aandacht kunt zijn, dan kun je het nergens en bij niemand. Als je in aandacht bent, ben je in tegenwoordigheid van geest. De geest is echter alomtegenwoordig, in de straat en tussen mensen evenzeer als in de kerk of in de eenzaamheid. In die bewustzijnstoestand kan niemand je verstoren.

Waarom? Het Goddelijke is voor jou het enige en alles. En wie uitsluitend God gewaar is, die draagt God in alles wat hij of zij doet, waar je je ook bevindt. Al je doen komt meer van God dan jezelf. Want het doen hoort meer bij degene die de activiteit veroorzaakt dan bij degene die het alleen maar uitvoert. Stellen wij ons dus voor het Goddelijke open, dan wordt deze de beweger van ons doen en laten. En hem in zijn werk te hinderen, daartoe is niemand in staat, ook ruimte en massa niet. Op dezelfde wijze heeft niemand dan ook de macht jou te hinderen. Want je verlangt en zoekt niets anders dan God. Zo word je in de geest een met hem.

En evenals geen enkele veelvuldigheid in staat is God te verstrooien, zo ben ook jij niet meer te verstrooien, af te leiden of te versnipperen. Je bent samengevallen met het Ene, datgene waar alle verscheidenheid in eenheid rust. Als je de tegenwoordigheid van geest echter nog niet eigen hebt gemaakt, dan kom je gauwer iets tegen wat je stoort. En dan is het niet alleen slecht gezelschap, maar alle mensen om je heen; niet alleen de straat, maar ook de kerk die je stoort; niet alleen je negatieve gedachten en gedrag, maar het positieve evenzo.

Want de hindernis ligt in jezelf. Je bent nog niet in staat je voor het Goddelijke open te stellen en het in de wereld te laten doorklinken. Zou dat namelijk het geval zijn, dan zou je je overal en bij alle mensen goed en geborgen voelen. God in dan altijd in je en dat kan niemand van je afnemen, noch dat iemand je nog in je doen en laten kan dwarszitten.

Als je bewust bent, ben je midden in de wereld, maar niet van de wereld. Je vereenzelvigt je er niet meer mee. Je staat overal dichtbij, maar je houdt je innerlijke afstand - die van de eeuwigheid. Want al het betrekkelijke is alleen maar een middel. In tweevoudige zin: enerzijds kunnen wij er niet omheen, dat wij alleen via ons doen en laten in de tijd tot God kunnen komen. Toch beinvloedt dit onze Zelfverwerkelijking niet wezenlijk. Anderzijds is het betrekkelijke uitsluitend een middel om ervan los te komen, om ons te onthechten. Want wij zijn hier om met behulp van onze intelligentie door tijd en ruimte heen steeds dichterbij God te komen, steeds meer op hem te gaan lijken. Als het betrekkelijke in functie staat van het wezenlijke, dan heerst er vrede temidden van de strijd om het bestaan.

Ten eerste hou je je innerlijk vrij van zintuigelijke indrukken, dusdanig dat zij je innerlijk gewaarzijn niet verstoren en er geen vereenzelviging plaatsvindt 3). Ten tweede gaat het om de voorstellingen in jezelf, hetzij beelden uit je emotionaliteit, hetzij beelden uit de buitenwereld, die op dat moment object van bewustzijn zijn. Verlies je er niet in en laat je er niet door meeslepen, noch opgaan in hun verscheidenheid. Om dat te kunnen zul je het innerlijk gewaarzijn moeten beoefenen om vervolgens de tegenwoordigheid van geest voorgoed in jezelf te vestigen.

3) Eckhart kende de positieve rol van het lichaam bij bewustwording niet. Zie hierover hoofdstuk 3.2 „Gids voor zelfintegratie“.

Wanneer je echt wil, dan lukt het je best wel dat de dingen je niet meer storen, noch dat hun beelden zich in je vasthechten, want als je vanuit je wezen bent, hebben gedachten geen vat meer op je. Maar daar mogen wij niet mee tevreden zijn. Wij moeten alles wat er zich in ons leven voordoet accepteren en zo onszelf op hoger plan brengen. Al die dingen die wij zien en horen, hoe vreemd en ver ze ons ook voorkomen, zij zijn allemaal dingen van onszelf. Dan hebben wij pas de juiste instelling en niet eerder. Je kut er voortdurend opnieuw voor open staan, je kunt er nog voortdurend in groeien en bloeien.

In ieder werk en elke aangelegenheid moet je bewust van je verstand gebruik maken, je tegelijkertijd van jezelf en je binnenste bewust zijn en dit met de grootstmogelijke tegenwoordigheid van geest. Voor wie God in alle dingen zo tegenwoordig is, die heeft de ware vrede gevonden, die bezit het „Rijk Gods“. Wie zijn of haar weg wil vinden, moet een van deze twee dingen doen: ofwel je bent voortdurend bewust aanwezig in wat je ook doet, ofwel je laat de wereld en het werk helemaal vallen. Aangezien de mens in dit leven niet kan bestaan zonder werk, dit daarentegen een deel van je is en vele gezichten heeft, daarom is het belangrijk dat je ongehinderd door plaats en aard van het werk, temidden van de dingen van alledag bewust kunt blijven.

Waarop berust echte Zelfrealisatie? Het berust op je Hart, op het veelvuldig innerlijk bezigzijn met het Onuitsprekelijke en het ondergeschikt maken van je wil aan het Grote Geheel. Dus niet door een voortdurend denken aan God. Het zou menselijkerwijs ook niet mogelijk zijn zo’n voornemen uit te voeren, in ieder geval heel moeilijk, terwijl het absoluut niet het beste is. Het denken aan God is lang niet voldoende - want als de gedachte verdwijnt, is ook God verdwenen. Het gaat echter om God in zijn essentie, datgene wat boven de gedachten van mensen en al het geschapene uitstijgt. Wanneer je echter het Goddelijke-Zelf in je innerlijk verwerkelijkt, het Goddelijke van God dus, dan straalt hij je uit alle dingen tegemoet. Alles smaakt jou naar het Eeuwige, in alles is Het een spiegel, GodZelf kijkt je ononderbroken aan.

Je bent op deze manier geheel en al gericht op het voorwerp van je liefde: God. Zoals je hartstochtelijk lief kunt hebben, dusdanig dat je in niets anders meer geinteresseerd bent; en je hebt uitsluitend dit Ene voor ogen en niets anders; waar je dan ook bent of bij wie, wat je ook begint of creeert, nooit en nergens dooft dat wat je zo intens liefhebt uit, in alles vind je hetzelfde. Zo’n mens zoekt nooit rust, want doordat hij of zij de goddelijkheid van alle dingen ervaart, stoort de onrust hem of haar niet.

Wis en zeker: uithoudingsvermogen en overgave zijn daarvoor nodig, een bewuste waakzaamheid en heldere tegenwoordigheid van geest. Dat bereik je echter niet door je van de wereld af te keren, door je in eenzaamheid terug te trekken, maar door een innerlijke eenzaamheid te leren, waar en bij wie je ook bent. Je leert dan door de dingen heen te breken, het Goddelijke in jeZelf te vinden waardoor je in staat bent het in je innerlijk te verwerkelijken als de essentie van je eigen wezen. Het is hetzelfde als met iemand die leert schrijven. Wil je de kunst ooit meester worden, dan moet je het veel en intens beoefenen, hoe zwaar het je ook is en hoe onmogelijk het in het begin ook lijkt. Als je je er helemaal aan wijdt, dan leer je het en word je langzamerhand meester in de kunst.

In het begin ben je met elke letter bezig om hem pijnlijk nauwkeurig voor de geest te brengen. Later echter, wanneer je de kunst eigen gemaakt hebt, schrijf je er vrolijk op los. Nu is de intentie bezig te willen zijn genoeg. En zelfs als je in plaats van aan de letters voortdurend aan iets anders denkt, dan zul je het dank zij je kunst kunnen uitvoeren. Op dezelfde manier moet je in al je doen en laten bewust zijn van goddelijke Tegenwoordigheid. In het begin zul je het eraan denken en het zorgvuldig visualiseren nodig hebben. Uiteindelijk dringt het Goddelijke zo in je door en ben je er met je wezen zo mee verweven, dat de Tegenwoordigheid Gods moeiteloos in je oplicht.

Wie meent door vrome aandacht, verzonkenheid en innige gevoelens meer op te gaan in het Goddelijke als tijdens het dagelijks werk, die vergist zich. Wie God alleen op bepaalde wijze zoekt, die wordt alleen vertrouwd met een bepaalde vorm - het Goddelijke dat daar achter zit, ontgaat hem echter. Wie God echter buiten alle vormen om zoekt, die vindt hem zoals hij werkelijk is. Zo’n mens leeft met God en is zelf het leven.

Ofschoon je de beste bedoeling kunt hebben en je doen en laten eerlijk op God af wil stemmen en daarbij je voordeel niet zoekt, toch doe je het echter met je kleine ik - slaaf van tijd en ruimte. Met zulke activiteit blokkeer je alleen maar het opgaan in een grotere dimensie.

Bij het gebed is het niet zo van: God geef mij deze deugd, deze weg of zelfs niet: Heer geef mij uzelf of geef mij het eeuwige leven, maar: Heer geef mij uitsluitend dat wat u wilt. Doe wat u wilt, wat het ook is. Alleen zo bid je op de juiste manier.

Het innerlijk vrije Hart, dat geheel in meditatie opgaat, kan niet op de normale manier bidden. Want dat laatste is het verlangen, dat God je iets geeft of iets onaangenaams van je wegneemt. Het innerlijk vrije gewaarzijn verlangt daarentegen niets en heeft ook niets dat weggenomen moet worden. Meditatie is echter het opengaan voor en het eenworden met het Goddelijke.

Er zijn mensen die een overmaat aan aandacht voor de uiterlijke vorm van het gebed en de toewending naar God hebben en zich niet openstellen voor de waarheid. Want de waarheid - God - is innerlijk. Diegenen die de geest, de waarheid, God willen volgen, die moeten haar in de geest en in de waarheid aanbidden. Dat betekent: bidden zonder onderbreking, overal, op alle tijden en bij elke activiteit. Ons gehele leven is dan een innerlijk gebed. Zo bid je, als je uit liefde tot God al je verplichtingen met dezelfde overgave verricht, onzelfzuchtig jezelf loslaat en alleen God in je laat werken. Wanneer je bewuste aandacht totaal op het Grote Bewustzijn is gericht, dan word je verlicht. Pas dan heb je die innerlijke kwaliteit waartoe je geschapen bent. Wij zijn naar het Goddelijke geschapen, naar zijn evenbeeld en bestemd voor de Godsgeboorte in ons.

Hoe kun je je innerlijk op deze Godsgeboorte voorbereiden? Is het beter dat je eraan meewerkt, zodat je je ervoor inzet en het verdient dat deze geboorte in je plaatsvindt - bijvoorbeeld doordat je in je voorstellingen een beeld van God in je bewustzijn vormt en je bezint op de wijsheid, almacht en eeuwigheid van God of wat dan ook - of dat je van alle gedachten, woorden en activiteit afziet en je innerlijk leeg en ontvankelijk maakt en vol-ledig in een toestand van overgave aan het Goddelijke vast blijft houden, zodat je niet-doet en God in je laat werken. Hoe kun je de Godsgeboorte in jezelf het beste bevorderen? Het zal je duidelijk zijn. Ook al zijn onze voorstellingen van God nog zo hoogstaand en alles wat het denken over God zeggen kan nog zo goed en op God betrokken - dit alles komt toch alleen „van buitenaf“, uit je gedachtenwereld. In waarheid moet alles echter van binnenuit, uit het Goddelijke zelf stromen, wil deze geboorte wezenlijk en zuiver plaatsvinden. Al je activiteit moet braakliggen, alles wat je bent en hebt moet Zijn doel, niet het jouwe dienen. Wil het werk vol-ledig zijn, dan is het alleen God die het doet en jij die het alleen ondergaat.

Het subject en steunpunt voor het denken is de waarnemer - niet een willekeurig iets, maar de heldere innerlijke wezensgrond-zelf. Pas wanneer het denken zijn wezen (h)erkent, kan het erin verzinken en tot rust komen. Evenals de materie niet rust - ze zou dan alle vormen in zich opnemen - zo rust het denken niet in zichzelf maar uitsluitend in het wezenlijke waarin alle dingen besloten zijn. Alleen met het wezenlijk is het tevreden. Door het denken trekt God je iedere keer weer van je weg, opdat je wakker blijft in je ijveren om verder te gaan, de bodemloze Werkelijkheid steeds vaker op te zoeken en haar te verwerkelijken. Opdat je je niet overgeeft aan wat voor dingen dan ook, maar steeds dieper verlangen voelt naar het hoogste en laatste goed.

Wie tot de grootste Vol-Ledigheid van zijn wezen wil komen en het schouwen van God, het hoogste goed, die moet zowel inzicht in zichzelf hebben, alsook in diepere dimensies, tot op de grond. Zo alleen kom je tot de grootste helderheid. Daarom: leer jeZelf kennen, dat komt je meer ten goede dan het bestuderen van alle mogelijke onderwerpen.

Je bent niet gericht op dit of dat, maar uitsluitend op een zuiver Niets, dat is de hoogste toestand in welke God geheel volgens zijn wil over ons kan beschikken.

Nu kan God niet in elk hart overeenkomstig zijn wil werken. Want ofschoon hij almachtig is, kan hij toch alleen zijn werkzaamheid ontvouwen in de mate waarin hij bereidheid aantreft of bewerkstelligt. In een bewustzijn, waarin nog dit en dat de dienst uitmaakt, daar is al gauw iets wat God in zijn volle werkzaamheid hindert. Wil je volkomen bereid zijn, dan moet je je geheel in het zuivere Niets verzinken. Dit is de hoogst mogelijke verwerkelijking.

Of je het nu bewust bent of niet, diegenen die altijd maar weer op „energie“ en „extasen“ uit zijn en uitsluitend de aangename kant willen, zelfzucht is het en verder niets! Je moet je geheel en al aan God overgeven en het interesseert je dan verder niet wat hij met zijn eigendom wil doen.

Ik beweer bij God’s eeuwige waarheid, dat God zich in ieder mens die totaal in zichzelf verzonken en tot de bodem gekomen is, zonder terughouding moet uitstorten, zo totaal en volledig, dat hij in zijn leven, wezen, natuur, ja in zijn gehele goddelijkheid niets voor zichzelf houdt - hij kan niet anders dan zich bevruchtend uitgieten in die mens, die zich totaal aan hem overgeeft.

Oprechte en vol-ledige overgave is een deugd voor alle andere. Geen werk van belang kan zonder haar tot stand komen. En hoe onbeduidend het werk ook is en hoe gering in aanzien, toch is het zo, dat als het met overgave gebeurt, veel positiever is als bijvoorbeeld je wijden aan het gebed. Neem het onbelangrijkste werk. Door oprechte overgave wordt het bijzonder en verkrijgt het zijn meerwaarde. Overgave is altijd het beste, het loopt nooit verkeerd af. Zij blijft ook niets schuldig, behalve de inzet die zij zelf wilde. Overgave is niet bezorgd om zichzelf en toch krijgt zij alles. Waar je uit overgave jezelf opgeeft, daar moet noodgedwongen God je plaats innemen. Want als je niet voor jezelf zorgt, dan moet God voor jou precies zo zorgen zoals hij voor Zichzelf doet.

Hoe ontvankelijker je voor het invloeien van de kosmische kracht wordt, des te gelukzaliger ben je. Degene die hierin de grootste bereidheid heeft, die zal de grootste gelukzaligheid bereiken. Ontvankelijk kun je je alleen maar maken door overgave met eenwording als doel. Naar de graad van overgave richt zich de graad van ontvankelijkheid.

Om de innerlijke mens te ontplooien en de uiterlijke mens aan banden te leggen, richt je je aandacht voortdurend naar binnen, dusdanig, dat het bewuste besef zich in je verankeren kan. Wil je dit nog duizend keer beter doen, bedwing hem dan - de uiterlijke mens - met de liefde. Met de liefde overwin je hem het beste, maak je het hem het moeilijkst. Wie door de liefde gevangen wordt, is meer dan ooit gebonden door een zoete last. Wie deze zoete last op zich genomen heeft, die komt dichter bij God als door alle taken die een mens op zich zou kunnen nemen. Bovendien kun je alles wat op je afkomt vreugdevol aanvaarden. Niets maakt jou God en God jou zo eigen als de liefde. Wie deze weg gevonden heeft die zoekt geen andere meer. Je kunt je gehechtheden, de uiterlijke mens, niet beter loslaten dan door de liefde.

Hoe meer liefde er in je komt, des te minder angst zal er in je zijn. En wanneer je liefde totaal is, dan is de angst geheel en al verdwenen. Als je jezelf wilt overstijgen en een wilt worden met de essentie van alles, dan moet je je laten vullen met de kracht van kosmische liefde.

De liefde ontvouwt haar werkzaamheid niet als zij geen toegang kan vinden of bewerkstelligen. Alleen in zoverre God zijn evenbeeld in jou vindt, alleen in die mate is hij werkzaam. Alleen als de liefde grenzeloos is, dan kan God naar de maat van de liefde werken. En ook al zou je duizend jaar worden, je kan altijd nog weer meer liefhebben. Het is zoals bij het vuur. Zolang je hout vindt, blijft het branden. Hoe groter het vuur reeds is en hoe sterker de wind waait, des te sterker wordt hij aangewakkerd. Vervang nu het vuur door de liefde en de wind door de kosmische kracht. Hoe groter de liefde is en hoe sterker de goddelijke geest waait, des te dichter komt je streven bij de vol-ledigheid. Niet in een keer echter, maar stukje bij beetje door het groeien van je innerlijk.

Hoe kan ik God dan liefhebben? Niet als voorstelling. Daarmee bedoel ik: zolang je God nog als voorstelling liefhebt, zolang je nog een bepaald beeld voor ogen hebt, kun je niet in eenheid opgaan. Want de ware liefde berust op het opgaan-in. Daarom moet je liefde vrij zijn van alle voorstellingen. Tot dusver hield je van God als beeld, persoon, als een object dus. Laat dat allemaal los. Hoe kan ik hem dan liefhebben, zul je opnieuw vragen. Niet als een beeld, niet als een persoon en niet als een object of vorm - maar als de klaarheldere, zuiver doorschijnende eenheid, ver van alle dualiteit. Om van het zichtbare in het Onzichtbaar-Eeuwige te ontzinken, daartoe helpe je God.

De dood scheidt je ziel van je lichaam, maar de liefde scheidt alle psychische functies van je geest. Wat niet God of Goddelijk is, dat duldt zij voor geen prijs. Wie deze weg bewandelt, wat je ook doet of drijft, de liefde doet het, het is uitsluitend haar werk - wat je ook doet of laat. De geringste activiteit is dan voor jou en anderen positiever en meer gezegend dan het werk van alle andere mensen samen die niet of veel minder vanuit de liefde leven. Je innerlijke rust is vruchtbaarder als andermans activiteit.

Zoals ik al zei: ook al zou je in goddelijke extase zijn zoals een leraar het was en je zou een mens weten die je hulp nodig heeft, dan is het verreweg het beste, dat je je liefdesverrukking vergeet om God in nog grotere liefde te dienen. Wees dan niet bang, dat de genade verloren gaat. Want waar je uit liefde bewust afstand van doet, dat krijg je des te vol-lediger weer terug. Met de juiste instelling kun je God missen noch verliezen.

Nu zul je zeggen: ik ben al van goede wil. De vraag is echter of je God’s wil hebt. Is het niet zo, dat je doet wat je zelf wil en dan God voorhoudt hoe hij het zou moeten doen? Dat is niet wat ik onder „goede wil“ versta. Je moet achter God’s liefste wil zien te komen. Alleen wils-overgave maakt je tot oorspronkelijk mens.

Wanneer ik mijn wil opgegeven heb en mijzelf aan de Oergrond overlaat en dus niet meer voor mijzelf zorg, dan is het Geheel verplicht om voor mij te zorgen. Meer in het algemeen: waar ik voor mijzelf niets wil, daar komt God voor in de plaats. Bij de echte oprechte overgave is er niet zoiets als: ik wil het zo en zo, dit of dat, maar uitsluitend onvoorwaardelijk opgeven van jezelf. En zoals echte overgave geen „ik wil dit“ kent, bestaat er ook geen „ik wil niet“.

Geheel opgaan in God’s wil en alle eigenwil laten vallen, dat alleen is een totale en oorspronkelijke wil. Hoe verder je het hierin gebracht hebt, des te meer ben je zo helemaal in God ingebed, dat je, als iemand je zou willen aanraken hij of zij eerst God zou moeten beroeren. Alles wat tot je komt, moet dan eerst door God heen. Het wordt daardoor echter zo getransformeerd, dat het Goddelijk wordt. Leed en vreugde, bitterheid en geluk, duisternis en licht - alles wordt naar het beeld van God omgevormd en wordt Goddelijk, wat er ook verder met je gebeurt.

Begrijp dan dat de lichamelijke dood en de liefde hetzelfde bewerkstelligen. Ten eerste neemt ze je alle vergankelijke dingen weg, zodat je ze voortaan noch bezit, noch kan bezitten. Ten tweede moet je afscheid nemen van al die geestelijke verworvenheden waar je psychisch en lichamelijk vreugde aan beleeft 4) zoals gebed en meditatie, een juiste levenswandel en alle goede dingen die een spiritueel mens troosten en vreugde brengen. Ten derde ontneemt de dood je alle beloning en aanzien, die je nog had kunnen verdienen. Want na de dood kun je het hemelrijk ook geen haarbreed meer dichterbij komen. Het blijft bij alles wat je op aarde „verworven“ hebt. Van deze drie aspecten van de dood moet je je goed bewust zijn, de scheiding tussen lichaam en ziel vindt immers onherroepelijk plaats.

4) Soms benadrukt Eckhart als hij het heeft over „onthechting“ alleen het doorbreken van de vereenzelviging, de identificatie met de dingen; soms het laten vallen van de dingen zelf.

Aangezien de liefde tot God „sterker is als de dood“ doet zij je in spirituele zin eveneens sterven en scheidt zij op haar manier de ziel van het lichaam. Dit vindt plaats wanneer je je vol-ledig overgeeft en opgeeft, je vrijmaakt van je ik en je je dus op deze manier van jezelf afscheidt. Dit geschiedt nu door de intense kracht van de liefde, datgene wat je op zo’n lieflijke wijze weet te laten sterven. Terwijl dit sterven de geboorte is van het eeuwig leven, betekent zij echter gelijktijdig de dood van het betrekkelijke, vooral ook van zijn zelfzucht. Hier ben je immers toch altijd maar weer naar uit.

Deze zoete lieflijke dood heeft bovenstaande drie dingen echter alleen maar ten gevolge, wanneer de liefde zo hevig is, dat ze je ook werkelijk doodt en niet alleen maar ziek maakt. Want net zoals er veel mensen zijn, die eerst lange tijd wegkwijnen voor ze sterven, zo zijn er ook mensen die eerst lange tijd bij zichzelf te rade gaan, voordat zij besluiten terwille van het Grotere zichzelf geheel op te geven en over te geven. Vaak doen zij wel alsof zij hun ik opgeven en willen afsterven - om vervolgens toch weer om te keren en nog snel wat voor zichzelf te zoeken. Op deze manier ben je echter niet werkelijk „dood“, maar lig je op sterven en lijd je aan je innerlijke gespleten-zijn. Totdat uiteindelijk God’s genade, dat is de liefde in je, zegeviert, zodat je zelfzucht alsnog totaal en finaal afsterft. Want alleen de liefde die sterker is als de dood kan het zoeken naar jezelf en je zelfzucht - de aard van je gewone leven - doden.

Ik zeg je nogmaals: alleen deze liefdesdood is in staat je leven van hechten-aan en je zelfbetrokkenheid werkelijk af te laten sterven. Dit vindt plaats in drie stadia. In de eerste plaats bevrijdt deze dood - de liefde, de overgave - de mens van het vergankelijke: vrienden, bezit, eer en al het geschapene, dusdanig dat hij of zij niets meer bezit noch benutten kan, ja niets meer voor zichzelf heeft. Vaak begin je op dit punt nogal eens uit te kijken naar „spirituele goederen“, naar meditatie, gebed, een deugdzaam leven, extase en God. Al genietend meen je in deze dingen te „groeien“. In plaats van materiele genoegens zijn de spirituele gekomen. Deze laatste zijn al gauw zo aangenaam, dat je veel meer moeite hebt om hiervan afscheid te nemen als daarvoor van het materiele.

Is de liefde echter zo sterk als de dood, dan werkt zij ook nu weer, namelijk dat zij je dwingt ook afscheid te nemen van alle spirituele troost, om uiteindelijk frank en vrij voor God alles in de steek te laten, waar je tot dantoe zo aan gehecht was. Ofschoon zo’n innerlijke gelatenheid al heel uniek en zeldzaam is, toch is er nog een graad die de mens nog veel vol-lediger weet te maken......Deze werkt wederom door de liefde die sterk moet zijn als de dood, zo dat zij ons hele hart breekt. En dat is, dat je afstand doet van het eeuwige leven, van de schat van de eeuwigheid dus, van alles wat je later van God en zijn gaven had kunnen bezitten, dusdanig dat je de hoop op een eeuwig leven laat vallen. Dit is de uiteindelijke graad van echte en totale gelatenheid. En dit afstand doen kan alleen door de liefde die sterk is als de dood. Zij doodt de mens in zijn zelfbetrokkenheid en scheidt de ziel van het lichaam, zodat je - uit eigenbelang - niets meer met het lichaam 5) of welke dingen dan ook te maken wilt hebben. En daardoor breekt zij totaal met alle vereenzelviging en gaat op in God. Hij is immers het leven waardoor jij in liefde kan sterven. Dat ons dit moge overkomen, daartoe helpe ons God.

5) „Lichaam“ staat bij Eckhart voor alle dingen die je aan het betrekkelijke doet hechten.

Hoe meer je in staat bent je aandacht geheel naar binnen te richten en alle gedachten en beelden die je ooit in je opgenomen hebt te vergeten, hoe meer je dus al het betrekkelijke vergeet, des te dichter ben je bij en ontvankelijker voor het eeuwige. Moge je plotseling alle dingen vergeten, ja moge je geraken in een toestand van niet-weten omtrent jezelf en het leven.

Het gaat om het overstijgen van het tijdelijke, het loslaten van al het betrekkelijke. Het punt is, dat wanneer je leeg en vrij bent van al het geschapene, je vol van God bent en omgekeerd.

Ik heb het al eens gezegd: wie van de wereld het minste bezit, die bezit van haar het meest. De wereld behoort niemand meer toe als aan diegene die haar helemaal heeft opgegeven.

Het leegworden van jezelf en alle dingen vergt de grootste inspanning en een tot het uiterste gedreven wil tot overgave - dus een wil en geen (slappe) willoosheid.

Waar jij ophoudt, daar begint het Goddelijke in jou. Nu verlangt God niets zozeer dat je jezelf, dat wil zeggen je geconditioneerdheid als schepsel, loslaat en God in jou de ruimte geeft. Is er maar iets over van je zelfbeeld en -betrokkenheid, dan is dat even groot als GodZelf. Waarom? Omdat je innerlijke ruimte er totaal door in beslaggenomen wordt en er dus geen plaats voor hem is. Laat je het beeld echter los, dan kan hij er weer in. Daarom moet je je niet meer door van alles laten meeslepen, ja eigenlijk alle vereenzelviging loslaten. Evenals God van dit alles zuiver en vrij is, zo moet jij het ook zijn om het verborgen goddelijk Geheim te kunnen ervaren. In deze zin spreekt een meester als hij zegt dat wij vol-ledig moeten zijn zoals de Oergrond dit is in zijn goddelijke Natuur. God, zo spreekt hij, is dichter bij jullie dan jullie bij jezelf. Teruggaan is er niet bij, alleen steeds verdergaan, het mogelijke tot voltooiing brengen. De ziel rust nu niet meer totdat de gehele Werkelijkheid haar vervuld heeft.

„Dat is een arme, een die zonder behoeften is, een die niets wil, niets weet en niets heeft en daarom vrij“. Wat wil dat zeggen? In de eerste plaats is zo’n mens iemand die niets wil. Dat wordt niet verstaan door diegenen, die in boetedoening en uiterlijke oefeningen er alleen maar op uit zijn hun zelfbeeld op te vijzelen. Zij begrijpen heel weinig van de goddelijke Waarheid. Deze mensen worden weliswaar heilig genoemd naar het beeld wat zij afgeven. Maar innerlijk zijn zij ezels, omdat zij het wezenlijke niet vatten. Zolang je nog iets hebt waar je je wil nog op richt - zelfs als je wil is God’s wil te vervullen - dan heb je nog niet de armoede, het vrijzijn van behoeften en de onthechting, waar het hier om gaat. Want je hebt dan nog je eigen wil met behulp waarvan je God’s wil doet. En dat is nog niet het juiste.

Om waarachtig arm te zijn, moet je je natuurlijke wil zo losgelaten hebben als zij was voordat zij was. Zo arm moet je zijn in je wil en zo weinig verlangen, als toen je wilde en verlangde toen je er nog niet was. Zo ben je arm als je niets wilt. Ten tweede is diegene een arm mens, die niets weet. Als je dit arm-zijn wilt verwerkelijken, geldt alles wat gold toen je nog geen „gezicht“ had - noch voor jezelf, noch voor de wereld, noch voor God. Je niet-weten moet zo totaal zijn, dat er geen voorstelling van God meer in je leeft. Want toen je „oorspronkelijk gezicht“ nog had, toen leefde er nog niets anders in je dan uitsluitend je wezenlijke Zelf.

De meesten leren je, dat God een wezen zou zijn, eentje met verstand die alle dingen onderscheidt. Ik zeg je echter: God is geen wezen noch intellect, noch kan hij dit en dat van elkaar onderscheiden. Niets is in hem en daarom is hij alles. Wie nu geestelijk arm wil zijn, stelt zich absoluut niets meer voor, God noch de schepselen noch zichzelf. Zo’n mens is dus niet iemand die „het wezen van God“ wil kennen of het zich probeert voor te stellen. In dat geval ben je nog niet arm aan weten.

Ten derde is diegene een arm mens, die niets heeft. Men heeft vaak beweerd, dat de volmaakt heid daarin zou bestaan, dat je van de materiele dingen van deze aarde niets zou bezitten. Dat is in zoverre juist als dat je het vrijwillig op je neemt. Maar dat bedoel ik niet. Neem nu eens aan, dat je je werkelijk van alle dingen, relaties en jezelf ontledigd hebt en dat je die ruimte hebt, waarin God een woonplaats vindt - dan nog zeg ik: zolang er nog zoiets in je is (namelijk ruimte), ben je nog niet arm in de uiteindelijke betekenis van het woord. Want God heeft niet bedoeld, dat de mens in zijn innerlijk nog een plek heeft, waar God werkzaam zou moeten zijn!...De juiste armoede daarentegen bestaat daarin, dat je God en al zijn werkzaamheid zo ontledigd bent, dat, wanneer God in je innerlijk werkzaam wil zijn, God dan zelf die plek is waar hij wil werken...

Hier, in dit volkomen arm- en leeg-zijn verwerkelijk je het eeuwige Zijn, datgene wat je geweest bent, wat je nu bent en in eeuwigheid zult zijn. De mens moet dus zo volmaakt arm en ontledigd zijn, dat hij of zij noch een woonplaats waarin God kan werken zelf is, noch in zich heeft. Zolang de mens (een begrensde) ruimte in zichzelf heeft, is de begrenzing van de God die toegang in hem heeft overeenkomstig. God komt dan slechts gedeeltelijk in je. En een deel van God is niet GodZelf. Daarom vraag ik God, dat hij mij ook van God bevrijdt en ontledigt...

Alles raak je hiermee kwijt: je bepaaldheid en God. Het zal je wonderlijk voorkomen, dat je ook God moet kwijtraken, toch is dit God’s bedoeling. Want zolang je een God hebt, van hem weet, zolang sta je nog tegenover God en ben je van hem gescheiden. Daarom is het Gods doel om zich (als entiteit, als beeld) in jouw innerlijk ten gronde te laten gaan, opdat ook jij jezelf verliest ten einde Goddelijk te worden. Je afwenden van al het geschapene betekent de eenwording met het ongeschapene. Wanneer je dat verwerkelijkt, verliest de ziel zijn naam. Zij gaat zo vol-ledig in God op, dat zij zelf daarin ten onder gaat, op dezelfde manier als het morgenrood oplost in het zonlicht.

Wanneer de zelf-ontlediging totaal is, dan komt God in je binnen, niet gedeeltelijk maar in zijn totale volheid. Wanneer in mij alle beweging ophoudt, dusdanig dat ik in mijzelf en alle dingen uitsluitend nog het ene, alomvattende en onvergankelijke Zijn gewaar ben, dan heeft mijn ziel haar naam verloren en alleen het zuivere wezen van God blijft over. Kom je in het goddelijke Licht, dan ben je zelf in het Niets omgeschakeld - je eigen eindigheid is dan zover van je vandaan, dat je uit jezelf niet eens meer in je eindige zelf terug kan komen. Met zijn ongeboren Wezens-Volheid maakt God zich aan dit Niets ondergeschikt en verschaft haar een bodem 6).

6) God is bij Eckhart niet de uiteindelijke Werkelijkheid. Als voorstelling, persoon of Zijn komt God voort uit het Goddelijke, de Godheid of het Niets. Dat laatste is de (bodemloze) Oergrond van alle bestaan.

Je had de moed ten gronde te gaan en uit jezelf kon je niet meer terugkomen, zo diep was je in jezelf ingegaan. Inspringen was eenvoudigweg God’s plicht. In ieder geval is het zo: God moet actief worden als hij jou bereid vindt. Want God kan niets leeg en onopgevuld laten. Dat iets leeg is, dat kan hij in de natuur al niet verdragen. Zelfs als je denkt dat je hem niet voelt en je helemaal leeg van hem zou zijn, dan is dat (doorgaans) toch niet het geval. Want al wat onder de hemel leeg is, wordt door de hemel Ofwel naar zich opgetrokken Ofwel verbuigt zij zich om het met zich op te vullen. God, de meester van de natuur 7), kan het niet verdragen dat er iets leeg zou zijn. Daarom: sta stil en onwankelbaar. Want God moet zijn genade in je ziel gieten, jij die in je liefde jezelf zo aan het Niet-Zijn hebt overgegeven. Hij vult haar met zichZelf. Vervolgens verheft hij je in het aanschouwen van zijn Godheid.

7) Hoewel Eckhart bij herhaling de goddelijke Essentie van al het geschapene bevestigt, is hij, zoals zovelen in de Westerse traditie, geheel op de Godsverwerkelijking gericht en minder op de verbondenheid met de natuur.

Daar waar jij jezelf geheel verliest en een wordt met God, daar ben je meer God dan schepsel. Wanneer je geheel van jezelf bevrijd bent en je niemand meer toebehoort dan God alleen, je voor niets anders meer leeft, dan ben je werkelijk God zoals hij in zijn essentie is. God weet dan in ZichZelf geen onderscheid te maken tussen ZichZelf en jou.

Zodra je omwille van God jezelf opgeeft en alle vereenzelviging loslaat, vind je je weer terug in God. En terwijl je God herkent, zie je in God ook jezelf en alle dingen waarvan je je losgemaakt had op een volmaakte manier.

Waarlijk: in ieder die zijn evenbeeld is, in hem of haar ervaart God onuitsprekelijke vreugde. Deze vreugde is heel dicht bij en in ieder van ons. Ook al ben je nog zo onvoorbereid, ongeoefend en onbewust - ieder kan deze vreugde in zijn volle werkzaamheid in zichZelf vinden, in dit ogenblik, als extase of inzicht. Je kunt het werkelijk in jezelf vinden en verwerkelijken, zo waar God God is en ik een mens. De Waarheid zelf zegt het.

Wanneer je iedere zelfbetrokkenheid hebt losgelaten en totale gelatenheid de plaats heeft ingenomen van op jezelf gerichte activiteit, dan begint in je wezensgrond een hemels licht te stralen - Gods licht ontsteekt zich.

Als je je willen en weten totaal hebt laten vallen, dan komt God vol-ledig in je binnen en straalt er helder licht in je. Waar God zo tegenwoordig is, daar houdt jouw weten geen stand, noch kan zij meer meewerken. Denk dus niet dat je intellect zo kan groeien, dat je God zou kunnen kennen. Als God je verlicht, dan is geen natuurlijk licht in staat dit te ondersteunen. Het moet eerst tot zuiver niets worden en zichzelf opgeven, dan pas kan God zijn licht instralen. Hij brengt dan alles mee wat jij hebt opgegeven en dit duizendvoudig.

De geest doorloopt de ene fase van Verlichting na de andere - totdat hij in de hoogste Waarheid opgaat, daar waar alle dingen een eind vinden.

Reeds het natuurlijke licht van het intellect, dat God in de ziel ingebracht heeft is zo verheven en krachtig, dat alles wat God aan lichamelijke hoedanigheden heeft geschapen, tegenover hem eng en klein voorkomen. Het staat boven alle andere lichamelijke functies. En het geringste object om ons heen dat ook maar eenmaal door dit licht beschenen en „verlicht“ is geweest, stijgt daardoor uit boven alle zintuigelijkheid. Het intellect transcendeert op zijn manier de betrekkelijkheid.

Nu bestaat er een tweede licht, het licht van de genade of goddelijke Liefde. Hier tegenover is het natuurlijke licht weer zo gering, op dezelfde wijze als de hoeveelheid aarde op de punt van een naald niets is vergeleken met de gehele aardbol. De genade waarmee God in je innerlijk binnengaat, draagt meer licht in zich als alle krachtsinspanningen van het intellect bij elkaar. Voor iemand die in dit licht staat, is de wereld en alles wat je verstand ooit begrijpen kan onvoorstelbaar eng en klein. Als je in deze toestand van genade bent, in deze verinnerlijking en een-zijn, dan ben je klaarhelder, op God gelijkend, verwant aan God. Vanuit je bewuste gewaarzijn ben je vrij en doorgankelijk geworden, dusdanig dat je jezelf overstijgt in die wonderbaarlijke Godswijsheid, die voor onbewust levende mensen onbegrijpelijk is. Je bent dan op Gods nivo gekomen.

Verneem nu waaraan je het kunt herkennen als je op Gods nivo bent gekomen. Ten eerste zie je vanuit je wezensgrond, dat je gezuiverd bent van alle schuld (oorzaak en gevolg). Je bent jezelf en alles om je heen vergeten. Ten tweede ontvang je goddelijke wijsheid: inzicht in en onderscheiding der dingen. Meningsvorming en geloof zijn van je afgevallen. Je bent tot Waarheid gekomen. En wat je daarvoor met behulp van ‘k weet niet hoeveel woorden en bewijzen geloofde of begreep, nu hoef je niemand meer iets te vragen of het nu om menselijke of spirituele zaken gaat. Ten derde ontvangt de verlichte ziel op slag goddelijke kracht, dat het haar mogelijk maakt alle dingen te doen. Want nu is het niet meer de ziel die handelt, niet jij bent gewaar of hebt lief, maar God handelt, heeft lief en is in jou aanwezig.

Het bewustzijn is van nature zo, dat waar ook maar iets daarvan aanwezig is, daar is hij totaal. Het is totaal in elk ledemaat, precies zoals God totaal is, overal en in alle schepsels. Alles wat in het bewustzijn leeft, is daarom in God. En daarom moet het opgaan in God en vrij-zijn van alles wat God niet is. En zich niet eerder rust geven voordat het met het ongeschapene is samengevallen.

Gezegend die verheven geest, die het zuivere Inzicht is binnengetreden, het grote Onbekende voor al diegenen die niet van zichzelf en alle dingen vrij zijn. Heeft de ziel niets meer waarop zij kan rusten, dan is zij bereid in het goddelijk Evenbeeld op te gaan. Dat wil zeggen: als een niets in het Niets opgaan. In het Niet-Zijn der goddelijke Natuur dat het Zijn te boven gaat, waarin niemand toegang vindt, tenzij je alles hebt laten vallen. Ach, wat zijn diegenen toch blind voor deze verborgen toegang tot God, zij die zo lichtzinnig blijven staan bij hun zintuigelijke indrukken. In deze zin zegt Dionysius: als je tot de geheime verborgenheid van de Oergrond wil doordringen, moet je alles overstijgen wat je bij het helder gewaarzijn zou kunnen hinderen, dit is alles wat je met het verstand begrijpen kunt.

Al het geschapene ondergaat voortdurend vernieuwing. Alleen God vernieuwt zich niet, hij is eeuwigheid, altijd jong. Want eeuwigheid zou niet eeuwig zijn, als hij zich eerst zou moeten vernieuwen. De ziel daarentegen ervaart vernieuwing. Enerzijds in haar etherische lichaam, datgene wat het fysieke lichaam leven geeft. Anderzijds in haar mentale functioneren, op elk moment wanneer zij zich bevrijdt van identificatie met het voorbijgaande. Maar waar de ziel - in haar bewuste gewaarzijn - het evenbeeld van God is en net als God geen naam heeft, in die dimensie is er geen vernieuwing meer, maar alleen eeuwigheid - zoals bij God.

Oneindig als het heelal is de innerlijke wereld. Hier is God’s diepte mijn diepte en mijn diepte God’s diepte, hier leef ik uit mijZelf zoals God uit ZichZelf leeft. De geest is God’s evenbeeld. God is tegelijkertijd vol-ledig op alle plaatsen en op ieder afzonderlijk. Voor God zijn alle plaatsen slechts een. Verder heeft God een idee van alle dingen in Zich. Hij maakt van alle dingen het ontwerp. Dit is zijn natuur. Op dezelfde wijze ziet de geest eruit. Ook hij is gelijkelijk in alle organen en in ieder afzonderlijk totaal aanwezig. Vandaar dat al zijn functies - de ziel - een eenheid vormen. Ook hij heeft overeenkomstig zijn mogelijkheden intuitief weten en vormkracht.

Luister in hoeverre de ziel tot evenbeeld van God wordt. Wat zij van God ontvangen heeft, dat verandert niet meer, want zij heeft daarmee een nivo bereikt, waar zij de genade niet meer nodig heeft. Op dit nivo heeft zij zichzelf verloren en vloeit vol-ledig in in de eenheid van zijn goddelijke Natuur. Nu zul je mij vragen wat er met die ziel die zichZelf verloren heeft en vol-ledig in de goddelijke Natuur ingevloeit is, gebeurt - of de ziel zichzelf terugvindt of niet. Ik zal zeggen wat ik er van denk. Zij vindt zichZelf terug op hetzelfde punt, waar ieder intelligent wezen zichZelf bewust wordt. Want in het steeds verder verzinken in de eenheid van het goddelijk Wezen, vind de ziel geen bodem. Daarom heeft God haar een lichtpunt gelaten, een omslagpunt van ZichZelf, waar zij zich terugvindt en zichzelf opnieuw als schepsel bewust wordt. Essentieel aan de ziel is dat zij haar schepper nooit kan doorgronden. Ik wil nu verder niet meer van de ziel spreken, want bij het opgaan in de eenheid van het Ondoorgrondelijke heeft zij haar naam, haar identiteit verloren. Daarom heet zij daar niet meer ziel, maar geest, dat is grenzeloos Wezen.

God heeft je innerlijk dermate aan ZichZelf gelijkgemaakt, dat er in de hemel noch op de aarde niets zozeer op God gelijkt als je geest, je wezen. Daarom wil God graag, dat de tempel van je innerlijk klaarhelder is, dat er verder niets in aanwezig is als alleen hij. Omdat hijzelf in het innerlijk werkzaam moet zijn, houdt hij van zijn creatie. God is liefde. In haar bemint God ZichZelf, zijn natuur, zijn wezen en zijn goddelijkheid. In dezelfde liefde echter waarin God ZichZelf bemint, bemint hij tegelijkertijd al het geschapene - niet naar hun betrekkelijkheid, maar naar hun essentie. In deze liefde waarin God ZichZelf bemint, bemint hij de hele wereld. Nogmaals: God geniet ZichZelf in zijn werk. In dezelfde lust als waarin hij ZichZelf geniet, geniet hij ook al het geschapene - niet naar hun aard als schepsel, maar in hun wezensgrond. In deze lust waarin God ZichZelf geniet, geniet hij tegelijkertijd de gehele wereld.

In de mate dat je je afkeert van jezelf en alle vereenzelviging, word je een met je innerlijke getuige-zijn, datgene in jezelf dat met ruimte en tijd nog nooit iets te maken heeft gehad.Dit stiltepunt wil alleen maar God in zijn puurste Wezen. Voor deze vonk, dit licht, deze geest is het niet voldoende wanneer hij alleen maar vruchtbaar is. Dit licht is ook niet tevreden met de in zichzelf rustende wezensgrond, die niet geeft noch ontvangt. Het wil weten waar dit wezen vandaan komt, het wil opgaan in de enkelvoudige diepte. Pas in dit binnenste is dit Zelf, deze godsvonk tevreden, hier is hij meer thuis als in zichZelf. Want deze diepte is de alle verscheidenheid overstijgende stilte, datgene wat onbeweeglijk in ZichZelf rust.

Geestvervoeringen en extasen kunnen soms van spirituele oorsprong, maar ook puur zintuiglijk zijn. Degenen die dat vaak beleven, staan nog aan het begin. Door je ermee te vereenzelvigen sluit je je af van de verdere spirituele groei, je levensopgave en je omgeving.

In de pure klaarheid - de Verlichting - ben je je alle dingen vol-ledig bewust. Nu schrijven sommigen over de oneindigheid van het heelal, hoe grenzeloos de hemel is. Nu is het geringste vermogen van de ziel ruimer dan de gehele hemel. In de kern van mijn ziel, de verlichte wezensgrond, ben ik net zo dicht bij een plek duizend mijl aan de andere kant van de oceaan als waar ik nu sta. In deze kosmische verruiming ben je alles gewaar, niets is buitengesloten, tijd zit er niet tussen. Hier is dus geen tijd of ruimte, geen voor en na, maar alles is aanwezig in het nu, waarin duizend jaar even kort zijn als een ogenblik. En alles wat ver weg is, is even dichtbij als het punt waar ik sta. Dit is de volheid en de gelukzaligheid van het Totaal-Goddelijke. Hier is eenheid.

Zo zie je God - maar je kunt hem niet doorzien. Je bent hem bewust, maar toch blijft hij onkenbaar en ondoorgrondelijk - je bent in hem opgegaan zoals hij in jou - en toch kun je hem nooit geheel omvatten. En nu spreekt de ziel: de toppen van de bergen, ja zelfs mijn ik heb ik overstegen - tot in de goddelijke Duisternis. Daar hoorde ik zonder geluid, zag ik zonder licht, rook ik zonder dat er geuren waren, daar proefde ik terwijl er niets was en voelde ik zonder de aanwezigheid van een object. Daar was mijn hart bodemloos, mijn ziel zonder zintuigen, mijn geest zonder identiteit en mijn bewustzijn zonder centrum. Daarom spreekt zij verder: Voor mij bestaat er geen God meer! En evenals voor mij alle bepaaldheid en verscheidenheid weggevallen is, ben ik voor niemand een ziel.

Omdat het ervaren van God op den duur onverdraaglijk wordt, speciaal in dit lichaam, daarom trekt God zich af en toe terug. Dat bedoelt hij als hij zegt: een poosje zie je mij en dan weer even niet. Het opgaan is zo totaal, dat als je God geheel, zonder terughouding en ononderbroken zou ervaren, dan zou je je nooit meer van hem kunnen losmaken en permanent je lichaam overstegen zijn. Omdat zo’n toestand niet samengaat met onze aardse leven, noch hem toebehoort, daarom trekt God zich terug wanneer hij wil en laat zich weer zien op momenten, dat het voor jou het beste is - als een toegewijde arts doet hij dat. Want God is niet (alleen) vernietiger van de natuur, maar hij brengt haar naar voltooiing. En hij doet dat des te meer, naarmate jij je meer openstelt.

Als je het over een bepaald tijdsbestek hebt, dan is dat bijvoorbeeld een dag, vandaag of gisteren. Ben ik daarentegen in het nu, dan is daar alle tijd in opgesloten. Het nu, waarin God de wereld geschapen heeft is hetzelfde nu, als waarin ik in dit moment spreek, dichterbij als het juist voorbijgegane uur.

Grote meesters leren weliswaar, dat God het „onbepaalde Zijn“ is. Dit is echter niet zo. Hij staat hoog boven het Zijn. Wanneer iemand het erover heeft, dat hij of zij God ervaren heeft en zich daarbij iets voorstelt, dan heeft hij of zij het over iets gehad, behalve God 8).

8) Het Zijn wordt door Eckhart zowel als bewustzijnstoestand alsook als concept, begrip of voorstelling aangeduid. Dat kan soms verwarrend zijn.

Door te beweren dat God geen Zijn is en dat hij boven het Zijn staat, heb ik hem het Zijn niet ontnomen, maar zijn kwaliteit daarmee verhoogd. Als wij God als Zijn opvatten, dan ontmoeten wij hem alleen nog maar in zijn voorportaal, want het Zijn is wel degelijk in God en hij woont daar inderdaad. Ook als wij God als „goedheid“ opvatten, dan is dat eveneens een voorportaal van hem, want ook „goedheid“ is in God.

Op de bodem van je innerlijk is een kwaliteit die noch door tijd noch door materie wordt bepaald. Het ontspringt aan het spirituele, verblijft erin en is zelf geheel en al geestelijk. God groeit en bloeit hier naar alle kanten. Hier is zo’n heerlijke vrijheid en vreugde, dat zij met woorden niet uit te drukken is. Hier woont God als in het eeuwige nu. En wie God in dit nu gewaar is, die woont samen met God in hetzelfde Licht. Vanaf dat moment ken je geen leed noch tijdsverloop, maar uitsluitend die ene gelijkblijvende eeuwigheid. Je bent samengevallen met de essentie van al wat is, geen toevalligheid noch toekomst kan je nog wat nieuws brengen. Je woont in het nu, voortdurend en ononderbroken, nieuw en jong. Zo goddelijk is deze kwaliteit. Hier en nergens anders is je geest aan God gelijk.

VERLICHTING

Ofschoon wij hiermee afscheid genomen hebben van alle eindigheid en op de weg van de Waarheid zijn gekomen, zijn wij nog niet vol-ledig zalig, zolang wij de goddelijke Waarheid alleen maar aanschouwen. Want zolang wij bij het ervaren blijven staan, zijn wij nog niet in datgene wat wij schouwen. Zolang er nog iets object van ons gewaarzijn is, zijn wij nog niet een met het Ene. Een leraar merkt hierbij op: Je komt niet tot de Oergrond als je je niet losmaakt uit je vereenzelvigingen en het zoekt zonder gelijkenissen. Naakt en alleen moet je staan, genoeg hebbend aan jeZelf, het pure wezen. Dan kan het zijn, dat je tot God als je gelijke komt, hij die Zelf naakt en onbehoeftig is en vrij van materie.

Het Al-Wezen omvat de hele wereld en is er tegelijkertijd zo hoog boven verheven, dat hij nog nooit door iets geschapens aangeraakt is. Hier worden de meesters verlegen als zij moeten verklaren hoe dit onbeweeglijke Onkenbare een kan worden met de ziel. Kenmerk van zijn goddelijkheid is, dat het zich moet verenigen met ieder wezen dat werkelijk voor hem ontvankelijk is. Zou hij zich niet verenigen, dan was hij geen God. Ik schrik echter elke keer weer, als ik het er over moet hebben, welke graad van losmaking en zelfontlediging de ziel moet hebben om tot eenwording te komen. En toch mag niemand denken dat het onmogelijk is.

Dat niemand meent dat het onmogelijk is om het te verwerkelijken! Ook al lijkt het nog zo moeilijk, wat maakt het uit. God is degene die het bewerkstelligt. Er zijn er die zeggen dat zij het nooit zullen bereiken. Als je denkt dat het niet voor je weggelegd is, verlang er dan tenminste naar. En als je ook dit niet hebt, verlang dan tenminste naar het verlangen. Dat wij zo naar God gaan verlangen, dat hij er zelf naar gaat verlangen om in ons geboren te worden, daartoe helpe ons God.

Nu wij het toch over deze geboorte hebben: besef dat alles wat ik hier zeg alleen geldt voor de vol-ledige mens, degene die de weg naar God bewandelt en niet voor de ongeoefende met de wereld geidentificeerde mens voor wie deze geboorte iets onbegrijpelijks is en nog heel ver weg.

Zoveel is zeker: Waar deze geboorte begint is alle tijdsbesef verdwenen. Want er is niets wat haar zozeer hindert als tijd en betrekkelijkheid. Zonder twijfel: tijd heeft noch met het Zelf noch met God iets te maken. Als het Zelf (je wezensgrond) door de tijd aangeraakt zou kunnen worden, zou het geen Zelf zijn. Als tijd iets met het Zelf te maken zou hebben, dan zou God er niet in geboren kunnen worden. Tijd, met al haar verlangens en streven, moet daarentegen totaal verdwijnen. Met andere woorden: voorwaarde voor de Godsgeboorte is dat jij de tijd en de tijd jou heeft losgelaten. Dan overstijg jij jezelf in totale overgave aan God’s rijkdom, dat daarin bestaat, dat op dat ogenblik God de wereld schept, precies als op de eerste dag van de schepping. Zo ben je je bewust van alle dingen zoals zij van begin tot eind bestaan.

God heeft geen beelden nodig, noch zijn zij in hem. Hij werkt in je innerlijk zonder middelen, beelden of gelijkenissen. In je wezensgrond werkt hij, daar waar nog nooit een beeld is geweest. Alleen HijZelf met zijn eigenste essentie is daar. Wil ik God, zonder tussenkomst van wat dan ook, gewaarzijn, dan moet ik letterlijk hem en hij moet mij worden. Dat bedoel ik nou precies: God moet heel concreet mij worden, zo geheel een, dat dit hem en dit ik eenworden en het blijven en - als het zuivere Zijn Zelf - eeuwig dezelfde werkzaamheid bezitten. Want zolang dit hij en dit ik, oftewel God en de ziel nog niet een enkelvoudig Hier en Nu geworden zijn, zolang is het ik niet in staat met hem samen werkzaam te zijn, laat staan een te worden. Nooit werd door een geboorte iets aan een ander zo verwant, zo gelijk, zo een, als door deze geboorte jij en God een worden.

Om tot inzicht te komen over onsZelf, ons in de Oergrond plaatsen en ermee eenworden, dat is zoals ik al gezegd heb, niet moeilijk. GodZelf bewerkstelligt dat in ons. De mens hoeft alleen maar te volgen en zich niet te verzetten. Je hoeft je alleen maar over te geven en God te laten werken. Dat wij God dus mogen volgen, dusdanig dat hij ons in Zich op kan nemen, zodat wij met hem eenworden en het hem mogelijk wordt, dat hij ons als een deel van ZichZelf kan liefhebben, daartoe helpe ons God.

Actief ben je met je functies en niet met je wezen. Onderscheiden doe je met je verstand, denken doe je met je gedachten en beminnen met je wil. Hun inwerkingen zijn altijd aan iets lichamelijks gebonden. Het zien aan de ogen, het smaken aan de tong, enzovoort. Je wezensgrond is echter in geen enkel opzicht actief. De functies van de ziel ontspringen wel in die grond, in je wezen Zelf heerst echter een diep zwijgen. Alleen hier is ruimte en rust voor de Godsgeboorte, hier spreekt God zijn „woord“. Want deze plek is van nature voor niets anders ontvankelijk, als alleen voor het goddelijke Wezen, zonder tussenkomst van wat dan ook. Hier gaat God de ziel binnen met al wat hij is en niet alleen maar met een deel. Zo gaat hij jouw essentie binnen. Niemand behalve God kan jouw wezensgrond beroeren. Het geschapene - het ego - komt nooit in je kern, het komt niet verder dan je functies. Daarom is niets zo onbekend als je wezenlijke Zelf. De ziel, zegt een meester, kan van zichZelf geen beeld maken zoals het werkelijk is. Beelden zijn alleen voor de zintuigen. Daarom heb je weet van alles en nog wat, behalve van jeZelf.

Weet je: het Zelf is innerlijk vrij en leeg van alle beelden en voorstellingen, reden waarom God zich zonder probleem ermee verenigen kan, zonder beeld of gelijkenis. De mens heeft bij zijn activiteit vele tussenfuncties nodig. De zon verricht zijn werk al veel sneller. Vanaf het moment dat hij straalt, baadt de aarde tot in alle uithoeken in het volle licht. De engelen staan nog hoger. Zij hebben voor hun werkzaamheid nog minder middelen nodig. Ook maken zij minder gebruik van beelden. God heeft geen enkel beeld nodig, noch zijn er in hem. Hij werkt in de ziel zonder middelen, voorstellingen of gelijkenissen. In je innerlijk werkt hij, daar waar nog nooit een beeld was. Niemand behalve hij is daartoe in staat.

Je bent hier echter pas ontvankelijk voor, wanneer je alles wat structuur en vorm bezit achter je gelaten hebt, dusdanig dat er niets van over is in je, noch dat je er nog toevlucht zoekt. Terugtreden in jeZelf, opgeven van al je activiteit, van alle identificaties vrijzijn en totaal geen houvast meer hebben: dan verzink je in het zuivere Niets, daar waar van het geschapene niets terug te vinden is. Hier ben je boven alle engelen en alle dualiteit.

God heeft de ziel zelfbestemming gegeven, zodat hij haar buiten de vrije wil om niets wil aandoen noch opdringen wat zij niet wil. Waar je in dit bestaan dus met vrije wil voor kiest, dat moet je helemaal zelf weten. Kies je ervoor niets meer nodig te hebben en onveranderlijk te worden als het Niets, verzamel dan (uit vrije wil) al je kracht, dusdanig dat je je door je ego en zijn identificaties niet meer laat vangen. Zo verenig je je met de eeuwig onveranderlijke God die zich nog nooit heeft laten meeslepen door iets wat hij Zelf heeft geschapen.

Zo totaal moet je in deze bodemloze bron van het goddelijk Niets verzonken zijn, dat niets je daar meer uit kan halen. Zodat je je nooit meer met de dingen vereenzelvigt, maar daar blijft waar God in zijn eeuwige Alomtegenwoordigheid niet wijkt of wankelt. Ook jij wankelt en wijkt hier niet meer. Kom op dan, kostbare ziel, trek je zo in je diepte terug, dat je niet meer terugkomt en ga op in God, dusdanig dat je er niet meer uitkomt. Blijf daar zodat je nooit meer in de situatie komt, dat het betrekkelijke weer greep op je krijgt. Bovendien: belast en belaad je niet met datgene wat je (door de eenwording) geopenbaard wordt. Laat je nergens op voorstaan en leg jezelf geen plichten op, welke deze ook zijn. Volg uitsluitend je helderbewuste innerlijk en het Niets dat niets behoeft en vereenzelvig je nergens mee. God die je uit het Niets geschapen heeft, wordt Zelf als onbehoeftig Niets je woonplaats en in zijn overanderlijkheid zul jij even onveranderlijk worden als dit Niets.

Wacht alleen op deze geboorte in je. Alle goedheid, troost, vreugde, bewustzijn en waarheid zullen je dan toevallen. Sta je open voor dit Ene, dan wordt alles je deel. Een bestendig bewustzijn, dat is wat je krijgt. Wat je daar buiten zoekt en begeert, dat bederft, het doet er niet toe wat het is. Het eerste geeft je bestendigheid, al het andere verdwijnt.

In deze ervaring ben je geen schepsel meer, je bent „zalig“ geworden, dat wil zeggen je bent in je wezensgrond versmolten met het Goddelijke. Je bent tegelijkertijd de essentie van jezelf en al wat is. Zaligheid is altijd: God. En ieder die zalig is, is in het ervaren van de zaligheid een met God, dus God, de goddelijke Essentie en Substantie Zelf. In het beleven van deze zaligheid word je tot een Niets. Hieraan aanknopende zegt Dionysius: Heer breng mij daar waar u een Niets bent. Dat wil zeggen: breng mij daar waar u alle gewone weten overstijgt.

God is Niets wil zeggen: hij is door niets bepaald. Daarom moet je boven al het bepaalde en betrekkelijke uitstijgen, boven de vormen en het zichtbare, ja zelfs boven je wezensgrond. Dan zal de volle werkzaamheid van de Verlichting je doorstralen.

In deze geboorte giet God ZichZelf met zo’n lichtende volheid in je innerlijk, dat het je wezensgrond zo teveel wordt, dat haar grenzen doorbroken worden. Alles vloeit dan over. De overvolheid van het Licht dat in je wezensgrond uitstraalt loopt over in het lichaam, je psyche en je gedrag, die daardoor helder-doorgankelijk worden. Wonderbaarlijk is het als ik denk aan deze vereniging van je innerlijk met God. Hij zorgt ervoor dat je innerlijk uit jezelf gaat uitvloeien. Alles wat naam draagt interesseert haar niet meer. Aangezien je zelf naam draagt, interesseer je je ook niet meer voor jezelf. De goddelijke Liefdesbron stroomt in je over enmaakt je los van jezelf. Het laat je opgaan in de Bron, het Onnoembare, God.

Hoe vaker deze Godsgeboorte in de ziel plaatsvindt, des te inniger je met God een wordt. „Geboren“ wordt God in de ontledigde ziel, door zich aan haar te openbaren op een nieuwe manier, een die onbepaald is, het goddelijke Licht Zelf, dat Verlichting wordt genoemd. Je bent nu Zelf datgene, wat je eerst alleen maar zag: de mens is waarlijk God en God is waarlijk mens. In deze geboorte ben ik vol-ledig een met hem. Hij kan mij nu niet meer buitensluiten, hier hou ik als afzonderlijk wezen geheel op te bestaan. Ik ben alles in alles, zoals God alles in alles is.

Alle dingen hangen zozeer van God af, dat als hij ook maar een ogenblik zijn hand ervan terug zou trekken, zij in het niets zouden terugvallen.

Alles wat de goddelijke Natuur eigen is, is de verlichte en eengeworden mens ook volkomen eigen. Het is daarom dat deze mens bewerkt wat God bewerkt, met God hemel en aarde heeft geschapen en het eeuwige woord heeft voortgebracht. God zou niet weten wat te doen zonder zulk een mens.

Men vraagt mij vaak, of je je geheel vrij kunt maken van de tijd, de verscheidenheid en de materie. Zeker kun je dat! Wanneer deze Geboorte zich werkelijk aan jou voltrekt, dan heb je het betrekkelijke achter je gelaten. Alles verwijst voortaan naar God en je geboorte in hem.

Het is als met een blikseminslag. Als hij een boom, dier of mens treft, dan keren deze zich hem toe. Had je hem de rug toegekeerd, dan word je met je gezicht naar hem toegeslingerd, evenals alle duizend bladen van de boom. Precies zo gebeurt het met al diegenen, die door de Geboorte getroffen worden. Hun ogen zijn onmiddellijk geopend, in zichzelf en alles. Hoe aardgebonden je ook bent, overal zie je het Onuitsprekelijke. Ja, wat voordien een hindernis was, bevordert nu je groei.

In deze geboorte zie je alles vanuit je „oorspronkelijke Gezicht“. Alles wat je hoort en ziet wordt goddelijk, in alles zie je God. Vergelijk het met te lang in de zon kijken. In alles blijf je nog een tijdje de zon zien. Wanneer je het zo nog niet ziet, dit oplichten van alles en een ieder, dan ben je nog niet opnieuw geboren.

God zoekt zijn voordeel niet. Hij is leeg en vrij in zijn onvoorwaardelijke liefde en in alles wat hij doet. Zo doet ook degene die met God verenigd is. Hij of zij is ook leeg en vrij in alle werkzaamheid, in onvoorwaardelijke liefde, zonder een waarom, zonder zijn of haar voordeel te zoeken, alles uitsluitend uit liefde tot God.

Wanneer je in de eenwording door het geweld van de goddelijke macht in bezit genomen bent, heb je kracht gekregen voor alles wat verder te wachten staat. En wel op een wijze dat je iedere uitdaging aan kunt. Je helderheid en uitstraling is zo krachtig, dat liefde noch leed, noch wat dan ook je verder nog kan hinderen. In jezelf verankerd, ben je onverschrokken. Tegenover de goddelijke kracht die in je is, zijn alle dingen klein en onmachtig om zich te laten gelden.

Dit Zelf 9) openbaart Zich als bron van onmetelijke wijsheid. Het is onze diepste wezensgrond, het weten waarin het Grote Bewustzijn ZichZelf herkent in al zijn goddelijke heerlijkheid. En het „woord“ evenals „wijsheid“ samen met al het andere dat daarin besloten ligt, dat is allemaal hetzelfde enkelvoudig Ene. Wanneer je deze wijsheid in jezelf verwerkelijkt, dan zijn twijfel en dwaalwegen en alle duisternis van de onwetendheid in een klap weggevaagd. Je bent overgegaan in zuivere Waarheid, GodZelf. In je innerlijk is God ZichZelf gewaar. Zo ben je jezelf en alle dingen bewust. Het bewustzijn staat zo in zijn eigen licht. En met hetzelfde bewustzijn sta je in de heerlijkheid van de Oergrond. Daar spreekt de „Vader/Moeder“ vanuit de hemel tot de „Zoon/Dochter“: jij bent mijn geliefde Zelf, in wie ik mij koester en thuis weet. In jou heb ik Mij teruggevonden.

9) (Ware) Zelf staat gelijk met bewustzijn, wezensgrond, essentie, hetgeen synoniem is met in aandacht zijn, bewust aanwezig zijn, tegenwoordigheid van geest.

In mijn innerlijk laat God eeuwigdurend zijn evenbeeld, het Zelf geboren worden. Je bent niet alleen bij hem (God) en hij bij jou, maar hij is in jou. Zonder onderbreking wordt Het - in alle eeuwigheid - opnieuw geboren. Verder zeg ik: Ik word als zijn „zoon“ geboren - als dezelfde zoon 10). Ja, hij laat mij niet alleen als zijn zoon geboren worden, hij baart mij als ZichZelf en ZichZelf als mij. Hij baart mij als zijn eigen diepste wezen, zijn eigen natuur. En daar is slechts een leven, een wezen, een werkzaamheid.

10) In lijn met de (patriarchale) traditie spreekt Eckhart van een „mannelijke“ God, over „hij, hem en de zoon. In dit hoofdstuk heb ik dit grotendeels zo gelaten. Om drie redenen. Uit respect voor Eckhart’s stijl en historische situatie (tegelijkertijd heel bewust van hoe deze gegroeid is!), onoverkomelijke problemen met de tekst en op fundamentele grond. Aangezien de uiteindelijke Werkelijkheid onpersoonlijk is, een „Het“, kan deze daarom niet anders dan met onzijdige respectievelijk „mannelijke“ connotaties beschreven worden.

Mijn natuurlijke vader is slechts met een deel van zijn natuur mijn vader en ik leef los van hem. Hij kan dood zijn en ik leven. God is daarentegen werkelijk mijn Vader/Moeder. Omdat ik van hem ben met alles wat ik bezit en omdat ik als „zoon/dochter“ gelijk aan hem ben en niet anders. En waarom is God mens geworden? Opdat ik als God geboren worde, dezelfde die hij is. En deze „zoon/dochter“ ben jij, ben ik, ieder van ons is het. Zovele wezens - zovele Goden in God. In ons allen pulseert de ene eenzelfde Levensgeest - als God en Godheid tegelijk. Ieder vol-ledig bewust mens is dezelfde „eniggeboren Zoon/Dochter van God“, datgene wat in alle eeuwigheid door de „Vader/Moeder“ wordt voortgebracht.

EENWORDING

God is actief en heeft alle dingen geschapen. Het Goddelijke daarentegen - datgene wat „God“ overstijgt - is niet actief, het heeft geen scheppende werkzaamheid. In mijn eeuwige Oergrond is God niet „God“, want hier is geen schepper 11). Met deze eeuwige Oergrond is mijn Zelf in alle opzichten gelijk. Want het Goddelijke is onnoembaar, het Zelf is dat evenzeer. Want het is - in zijn wezen - gelijk aan God. In de eenwording ontvangt het van God een nieuw leven. Hier sta je uit de doden op en ga je het leven van het Goddelijke binnen. Dan giet God al zijn goddelijke Volheid in je uit, hier krijg je een nieuwe naam, een die boven alle namen uitstijgt.

11) Hier zoals op zovele andere plaatsen, wordt de diepe controverse tussen Eckhart en de kerk duidelijk. Immers in de „geloofsbelijdenis“ staat: „God de schepper van hemel en aarde“.

Verder is ook Eckhart niet altijd even duidelijk wanneer „God“ bij hem een existentiele werkelijkheid, het Zijn, het bewustzijn is of ook de aanduiding voor een begrip, concept. Zie verder hoofdstuk 2.1 De Boodschap.

Wanneer je opgaat in het puur Goddelijke, waarvan God slechts een openbaring is, dan zul je nog zaliger zijn. Volkomen zalig word je pas, wanneer je in de leegte van het Goddelijke verdwijnt, daar waar geen activiteit noch beelden, noch een God is. JeZelf boven alle opgaan zo verliezen, dat je ik vernietigd wordt, dusdanig dat je alleen nog als een niet-zijn existeert, daar gaat het om. Zelfs het Zelf is nu dood - opgelost - het is begraven in de woestijn van het Goddelijke op dezelfde manier als het lichaam verteert in het graf. Dionysius legt dit zo uit: in het Goddelijke begraven zijn is de overgang naar het ongeschapen leven. Deze overgang is zelfs bij diegenen die zich „verlicht“ noemen onbekend.

Het Goddelijke is zo leeg en naakt, dat het lijkt alsof het niet-is. Het heeft niet, het wil niet, het verlangt niet. Het heeft geen substantie. Het Goddelijke is zonder naam en onbepaald. Niemand kan er iets van zeggen of weten. Hierover zegt een meester: wat wij over de Oergrond weten of zeggen, dat zegt meer over onszelf dan over het Onnoembare. Want deze is onuitsprekelijk en onkenbaar. Opnieuw wil ik iets zeggen wat ik totnutoe nog niet gezegd heb. Het Goddelijke en God zijn verschillend van elkaar als hemel en aarde. Als je mij vraagt: broeder Eckhart, wanneer ben je van „huis“ vertrokken, dan antwoord ik: zojuist was ik er nog. Alle schepsels praten over „God“ en verkondigen alleen hem. Waarom praten zij niet over het Goddelijke? Het is waar: het Goddelijke is aan gene zijde van God en daarover kun je niets zeggen. Het Goddelijke doet niets, daar is alleen niet-doen, alleen God doet. God en de Godheid onderscheiden zich van elkaar als doen en niet-doen.

Toen ik nog in mijn „eerste oorzaak“ was, was er geen God. Ik behoorde mijZelf toe. Ik wilde niets, ik verlangde niets want ik was daar het onbepaalde Zijn en het gewaarzijn van mijZelf in goddelijke Waarheid. Hier was ik vrij van God en alle dingen. Toen ik echter uit mijn vrije wil naar buiten kwam en mijn geschapen dimensie ontving, toen kreeg ik ook een God. Want voordat er schepsels waren, was God niet God: hij was wat hij was. En ook toen de mensen ontstonden, was hij niet in zichzelf „God“, maar alleen in de mensen is hij dat. Nu beweer ik: God, zoals hij alleen als God bestaat, is niet het einddoel van de schepping. En daarom vragen wij, dat wij van God ontledigd mogen worden. Vanuit onze eeuwigheid komen wij tot deze Waarheid.

God, zo zegt een meester, doordringt met zijn Niet-Zijn de wereld en zijn woonplaats is nergens. Wie tot God wil komen, kome als een niets.

Ook die goddelijke levendigheid, datgene wat wij „Verlichting“ noemen, moet totaal oplossen wil zij in God’s diepste Essentie komen, daar waar hij niet-doet. Daar is zij uitgevloeid in de diepste Dimensie: de in ZichZelf rustende Godheid. Wenu, merk op. De Godheid (het Goddelijke) is leeg in ZichZelf, Het is bodemloos. God is daarom - als Godheid - het allerlaatste, dat wat het menselijk begrip totaal te boven gaat. Immers het Zelf trok Zich eerst terug uit haar geschapen functies, oversteeg zichZelf (zijn ongeschapen wezen) om vervolgens met de goddelijke Natuur (Verlichting) samen te vallen. Hij kan echter niet in het Uitendelijke opgaan, zonder ook dit laatste - de Verlichting - te verliezen. Hier sterf je je uiteindelijke dood, hier verdwijnt niet alleen al je verlangen, alle voorstellingen, alle weten en alle vormen, hier verdwijnt alle Zijn, het hele bestaan. Hier is zelfs Verlichting opgegaan in de Duisternis. En wees er bij God van verzekerd: evenmin als een lichamelijk dode zichzelf kan bewegen, kan de geest die dus spiritueel gestorven is, Zich aan andere mensen nog vertonen. Deze geest is dood en in het Goddelijke begraven. En het Goddelijke leeft voor niemand, noch voor zichzelf. Deze getuigenis is alleen bestemd voor diegenen voor wie dit het ware leven is, of er tenminste in zijn hart naar verlangt. Dat ons dit geopenbaard wordt, daartoe helpe ons God.

Ik smeek God dat hij mij van God verlost en ontledigt. Want het Niet-Zijnde Zijn is aan gene zijde van God en alle onderscheid. Daar was alleen Ik, daar beminde Ik Mijzelf en zag Ik Mijzelf als degene die mijzelf gemaakt heeft. Zo ben ik dan de oorzaak van mijzelf, zowel wat het eeuwige als het tijdelijke van mijzelf betreft. Alleen hierom ben ik geboren. In mijn eeuwig geboren worden, kan ik ook nooit sterven. Vanuit mijn eeuwige Geboorte ben Ik in alle eeuwigheid geweest, Ben Ik en zal eeuwig zijn. Alleen het tijdelijke in mij zal sterven en vergaan, want het telt de dagen en daarom moet het, evenals de tijd verdwijnen. In mijn Geboorte werden ook alle dingen geboren. Ik was tegelijkertijd mijn eigen alsook de oorzaak van al het geschapene. En zou ik willen, dan was ik er niet noch de wereld. Zonder Mij geen God.

Toen ik uit het Goddelijke tevoorschijn kwam, hoorde ik iedereen zeggen: „God bestaat“. Nu heb ik daar niet veel aan, want op die manier bekijk ik het vanuit mijn sterfelijke persoon. In de Doorbraak echter, daar waar ik ontledigd ben in de wil van God, ontledigd ook van deze wil-zelf, evenals van zijn werkzaamheid, ja zelfs van hemzelf - daar ben ik meer dan al het geschapene, daar ben ik God noch schepsel. Ik ben wat ik was en zal blijven, nu en altijd. Plotseling komt er zoveel rijkdom in mij, dat God voor mij niet genoeg is, niet met datgene wat hij als God is, noch met alles wat hij bewerkstelligt. Want in deze Doorbraak ga ik op in datgene waar zowel God als ik vandaan komen. Hier ben ik wat ik altijd al was, hier neem ik toe noch af, want hier ben ik het Onbeweeglijke dat alle dingen beweegt. Hier vindt God geen woonplaats meer in de mens, want hier is de mens door zijn ontlediging opgegaan in datgene wat hij in eeuwigheid was en altijd zal zijn. Hier is ook God in de Oergrond, in het Grote Niets opgegaan.

Nee, zo is het niet. Het Niets heeft geen eigen substantie noch omvat het - zoals God - het geschapene. God daarentegen bestaat: het Zijn. Alleen in ons begrip is het een „niets“.

Voel je niet bezwaard als je deze taal nog niet verstaat. Want zolang je nog niet toe bent aan deze Waarheid, zolang zul je haar niet begrijpen. Want ik heb deze Waarheid niet zelf bedacht. Zij komt direct en onvervormd uit de bodemloze Oergrond. Dat wij het in ons leven zelf mogen ervaren, hiernu en in alle eeuwigheid, daartoe helpe ons God.

Literatuur:

Meister Eckhart „Deutsche Predigten und Traktate“, 1972 Diogenes

Terug

  1995 Copyright Han Marie Stiekema, Alle rechten voorbehouden.
Last revising: 12/09/04