Sociocratie
door Kees Boeke

,,WAT HEBBEN WIJ GELEERD...?
EN HOE NU VERDER?"

GEEN DICTATUUR!

1. De vreselijke jaren, die achter ons liggen*, hebben zeker ons allen geleerd, waarschijnlijk ook zelfs de meesten van de misleiden, die eenmaal anders dachten, dat dictatuur niet de oplossing geeft van het probleem der gemeenschapsordening. Voor 1940 voelden zeer velen onzer, dat het parlementaire stelsel te kort schoot, en begonnen sommigen te verlangen naar een sterker eenhoofdig bestuur. Maar, nu wij daarmede hebben kennis gemaakt, zullen wij zeker allen zeggen: ,,dat nooit weer!" Wij zijn de laatste jaren te vaak opgeschrikt door ,,verordeningen", die ons zonder meer werden medegedeeld, zonder dat enig overleg was gepleegd. Wij hebben gezien, hoeveel misbruik er gemaakt werd van macht, hoe velen van de besten onzer werden gevangen genomen, ja geëxecuteerd, zonder vorm van proces, zonder enige mogelijkheid van hoger beroep. Wij hebben de redeloze en onmenseljke mishandeling der Joden aanschouwd. Wij hebben gezien hoe alle vrijheid verdween: de vrijheid van vergaderen, van spreken, van geweten. Wij hebben kunsten en wetenschappen zien kwijnen en de hoogste cultuurwaarden zien aantasten. Wij hebben gemerkt hoe de slechtsten als schuim naar boven kwamen en hoe de besten werden onderdrukt, vaak gemarteld.

* Kees Boeke schreef dit op het eind van WW II.

2. Daarnaast hebben wij gemerkt, hoe dwang onmiddellijk leidt tot ondergronds verzet; maar ook tot allerlei ontduikingen, oneerlijkheid en geknoei op elk terrein. Wij hebben de onzedelijkheid op onrustbarende wijze zien toenemen, en wij hebben ons verbaasd over de grote snelheid, waarmee deze processen van verwording zich ontwikkelen, wanneer het gemeenschapsleven op onjuiste wijze geregeld wordt. Ook hebben wij gezien hoe nodig het is, dat de menselijke driften: sadisme en egoïsme-in-het-algemeen beteugeld worden, want wij zagen hoe zij als monsters losbraken, toen door het wanbestuur hun de gelegenheid daartoe werd geboden. Een eigenaardige les, die wij ook hebben kunnen leren, is dat zelfs het hevigste dreigement en de scherpste afschrikking niet in staat blijken de mens terug te houden van daden, wanneer hij die werkelijk wil verrichten. Zo wijst dan alles in de richting van het zoveel mogelijk vermijden van dwang, met behoud van werkelijke orde en ordening.

OOK GEEN PARLEMENTARISME*

3. Moeten wij dan weer terug naar de toestand van voor 1940, dus naar de parlementaire democratie? Ik antwoord: neen, ook die was verre van ideaal. Het is gebleken dat zij leidt tot een gruwelijke verdeling van onze volkseenheid door partijen, een verdeling, die wij wel versplintering kunnen noemen, wanneer wij denken aan het ontstellend grote aantal partijen en partijtjes, die zich bij de laatste verkiezingen vormden. Wij denken met schrik terug aan de eindeloze debatten in de Kamers, aan veel demagogie en spreken-voor-de-tribune, aan de machteloosheid van regeringen, tengevolge van het systeem, waarbij het getal regeert. Wanneer de meerderheid dwingen kan, ligt het voor de hand, dat vaak het groepsbelang overheerst. Want helaas is veelal de meerderheid eerder op het eigenbelang, of het belang van de eigen groep, dan op het belang van het geheel gericht. Bovendien is de meerderheid nog onontwikkeld, zodat wij, als wij haar laten regeren, geenszins de zekerheid hebben, dat de ordening door de belangelozen en de meest bekwamen geleid zal worden.

* Kees Boeke bedoelt het parlementaire systeem zoals deze was voor de oorlog. Hij is niet tegen de demokratie als zodanig. Integendeel! Zijn voorstel is niet voor niets om de hele samenleving via "raden" - parlementaire beslissingslichamen op alle niveau's - te regeren. Iets dat ik "GemeenschapsDemokratie" noem.

Politieke partijen eruit, meer demokratie erin

4. Hoewel ik zo sterk de gevaren en tekortkomingen van het parlementaire stelsel zie, realiseer ik mij, dat de regering niet anders zal kunnen doen, dan op de tot nu toe gevolgde wijze, nl. door het uitschrijven van een verkiezing, een nieuwe volksvertegenwoordiging te vormen. En...wij zullen allen dankbaar zijn dat de regering meermalen heeft aangekondigd, dat zij zo spoedig mogelijk weer een democratisch bestuur wil herstellen. Zolang er geen erkende derde oplossing bestaat, is het onvermijdelijk, dat opnieuw deze methode wordt toegepast.

DE DERDE OPLOSSING: SOCIOCRATIE

5. Er is echter wèl een derde oplossing, en het is omdat ik vast overtuigd ben van de mogelijkheid daarvan, dat ik besloten heb, mij persoonlijk te richten tot alle denkende mensen, die ik maar bereiken kan.

6. Deze derde oplossing moet natuurlijk ,,democratisch" zijn in die zin, dat zij de gelegenheid moet bieden aan ons, gewone individuen van het volk, om mede verantwoordelijkheid op ons te nemen op het gebied van de ordening van het gemeenschapsleven, en tevens deel te hebben aan de leiding ervan. Het moet echter niet zijn een democratie, die berust op macht, zij het dan ook de macht van een meerderheid, maar een werkelijke gemeenschaps- democratie, dat is de ordening van de gemeenschap door de gemeenschap, anders gezegd een zelftucht van de gemeenschap. Hiervoor gebruik ik de term ,,sociocratie". Een dergelijk stelsel heeft weinig waarde, wanneer het alleen op theoretische aanwijzingen berust. Zijn waarde wordt onmiddellijk vergroot, wanneer praktijk de deugdelijkheid ervan bewezen heeft. Die praktijk is er zonder twijfel. Ieder, die enigszins in Engeland en Amerika georiënteerd is, kent het ,,Genootschap der Vrienden", of de Quakers, zoals zij genoemd worden. Deze hebben, zoals men weet, in die landen een zeer grote invloed, en zijn over de gehele wereld bekend geworden door hun vele en waardevolle werk op praktisch maatschappelijk terrein. De Quakers nu hebben een ervaring van meer dan drie eeuwen met hun stelsel van gemeenschapsordening, dat ook elke beslissing op grond van stemmenmeerderheid verwerpt en alle gemeenschappelijke actie baseert op onderlinge overeenstemming.

7. Het is mijn ondervinding van vele jaren met een steeds toenemende groep kinderen en ouderen, dat toepassing van ditzelfde stelsel mogelijk is op de basis van het volledig erkennen van het belang-van-de-ander als even reëel als ons eigen belang. Wanneer wij van deze eenvoudige grondgedachte uitgaan bij het zoeken naar oplossingen voor het ordenen van ons gemeenschapsleven, ontstaat als vanzelf een geest van goede wil, die het vinden van een oplossing, die allen kan bevredigen, bevordert; ja, wij zouden zeggen: ,,een heilige geest", omdat hij het beste in de mensen wakker roept. Ik geloof, dat dit dezelfde geest is, die de Quakers ,,leidt", wanneer zij zoeken naar ,,Gods wil". Wanneer ik nu op grond van mijn praktische ervaring de overtuiging gekregen heb, dat het mogelijk is in een groep, bestaande uit een paar honderd personen uit alle mogelijke kringen, van zeer verschillende leeftijden, en van allerlei overtuiging, op deze wijze harmonieus samen te werken, geloof ik, dat het ook eenmaal moet kunnen in de grote kringen van de menselijke samenleving. Velen zullen zeer sceptisch staan tegenover deze uitlating. De reden hiervan is, dat zij gewend zijn aan kringen, waar tenslotte altijd een meerderheid, of wel een bepaald persoon beslist, zodat zij niet weten hoe heel anders de sfeer wordt, wanneer de leiding van een groep berust hij haarzelf, en wanneer ieder weet, dat men, alleen wanneer men tot overeenstemming komt, handelen kan. In de ,,Bespreking", d.i. in de op geregelde tijden gehouden Vergadering van zo’n groep, ontstaat vanzelf een intens samen zoeken naar een verzoenende oplossing, dus naar eenheid, en tevens zal op deze wijze de leiding komen in handen van diegenen, die door allen worden vertrouwd. Anders gezegd: Er zal zich daar een geestelijke aristocratie, die boven de partijen staat, vormen.

8. Bij een doorvoering van het stelsel over een groot gebied met een aanzienlijk aantal bewoners, zal het nodig zijn afgevaardigden of vertegenwoordigers van vele ,,Besprekingen" samen te voegen tot een Bespreking van hogere orde, die het grotere gebied bestrijkt. Het zal dan blijken dat diegenen, die het minst hun eigen belang zoeken, en tevens het meest bekwaam zijn, vanzelf als vertrouwenspersonen zullen worden afgevaardigd naar zo’n college met wijder verantwoordelijkheid. Wanneer een groep geen overeenstemming kan bereiken wat betreft het afvaardigen van een vertrouwenspersoon, zal die groep in zo’n hoger college niet vertegenwoordigd zijn. Aldus zal de groep, ook wat dit betreft, met alle kracht streven naar overeenstemming.

9. Het spreekt vanzelf, dat deze werkwijze niet kan worden opgelegd: zij zal alleen kunnen worden aangekweekt; de techniek ervan zal moeten worden geleerd en het beginsel moet van onderop steeds meer het geheel van de gemeenschapsordening doortrekken. Evenals de techniek van het parlementaire stelsel op grond van ervaringen gedurende vele jaren zich tot in onderdelen heeft ontwikkeld, zal iets dergelijks kunnen gebeuren, naarmate vertrouwen in sociocratische ordening ontstaat en dit vertrouwen toeneemt.

DE OPVOEDING DAARTOE NODIG

10. Wat allereerst nodig is, is een bewuste opvoeding in deze richting. In de school, zoals wij die thans kennen, leert het kind gehoorzamen*. Het grote gevaar hiervan is maar al te zeer gebleken in de jaren, die achter ons liggen, omdat juist daardoor de massa zo’n gemakkelijke prooi was voor de om zich heen grijpende macht van de dictator. Natuurlijk moeten opvoeding en onderwijs niet gericht worden op het kweken van ongehoorzaamheid en rebellie; maar wèl moet een zeer belangrijke taak ervan zijn het aankweken van initiatief, zèlf denken in het belang van het geheel, verantwoordelijkheid dragen voor een groep, een groep vertegenwoordigen in een college met wijder aansprakelijkheid, enz. Deze dingen, zo zeer belangrijk voor het verkrijgen van een redelijke ordening van hot gemeenschapsleven, zijn tot nog toe en worden nog steeds, maar al te zeer verwaarloosd bij de opvoeding van onze kinderen en onze jeugd. Het is daarom niet te verwonderen, dat de mensheid de zeer belangrijke kunst-van-samenleven, en samenwerken nog zo bitter slecht geleerd heeft, Op grond van mijn ervaring heb ik de onwrikbare overtuiging, dat een Kindergemeenschap, zoals die sedert 1926 in Bilthoven gegroeid is, en die ik beschreven heb in mijn boek ,,Kindergemeenschap" (Utrecht 1934), alle mogelijkheden biedt voor het ,,leren-samenleven" en leren-samenwerken, en dat wanneer opvoeding en onderwijs in plaats van in scholen in zulke Kindergemeenschappen zal plaats hebben, de gemeenschap gaandeweg in staat zal blijken zich langs sociocratische weg te ordenen.

* Het omgekeerde: de totale regelloosheid van tegenwoordig is even funest.

OVERGANG VAN PARLEMENTAIRE DEMOCRATIE
NAAR SOCIOCRATIE

11. De belangrijke vraag is nu echter, hoe eenmaal de parlementaire ordening, zoals wij die kennen en spoedig weer zullen hebben, zal kunnen overgaan in een meer en meer sociocratische inrichting, wanneer eenmaal zowel de regering als het volk voldoende vertrouwen zal krijgen in een dergelijke omzetting.

12. Natuurlijk zou er hier geen sprake kunnen zijn van iets wat ook maar zou lijken op een revolutionaire beweging. Immers, alles wat op macht of dwang gelijkt is reeds van tevoren uitgesloten. Ook zal het niet gaan om het verkrijgen van macht door meerderheid, daar ook dit beginsel in de sociocratische staat verworpen wordt. Wat mij mogelijk lijkt is, dat de regering eenmaal zal toestaan of bevorderen, dat geheel van onderop een begin wordt gemaakt met sociocratische ordening; en wel op tweeërlei wijze: zowel geografisch (dus op grond van de bij elkaar wonende buurtschappen) als functioneel (dus op grond van de verschillende bedrijven en beroepen). Het zal alleen op grond van ervaring, oefening en opvoeding zijn, dat de kunst van samen-overleggen en samen-afspraken-maken zal kunnen worden geleerd. Ik zelf zie een toekomstbeeld van een sociocratische ordening van de gehele maatschappij:   Ik kan mij voorstellen, dat b.v. 40 ,,buurtschappen" van ca. 150 inwoners verenigd worden tot ,,wijken" van een 6.000; dat deze deel uitmaken van ,,districten" van gemiddeld 240.000 zielen en dat eenmaal een veertigtal van zulke districten afgevaardigden zullen sturen naar het ordenend college voor het gehele land. Zelfs zie ik, dat eenmaal ditzelfde stelsel de oplossing zal moeten geven voor de ordening van gehele continenten, ja van de ganse mensheid, want ik ben er nog steeds diep van doordrongen, dat het probleem van de gemeenschapsordening alleen oplosbaar zal blijken, (maar dan ook oplòsbaar zal blijken!) wanneer de gehele mensheid als één groot lichaam wordt gezien, en wanneer er geen deel zal zijn, waarvan het belang niet ten volle zal worden behartigd.

13. Ik besef ten volle, dat een toepassing op wijdere schaal van het sociocratisch beginsel alleen mogelijk zal zijn, wanneer en voor zover inzicht en vertrouwen erin zich baan breken. Het is om een eerste poging te doen in deze, dat ik besloot bovenstaande gedachten voor mijn medemensen neer te leggen.

OMSCHRIJVING VAN HET SOCIOCRATISCH STELSEL

14. Laten wij ons eerst helder voor de geest halen, wat het eigenlijke probleem is: het gaat erom, dat een groep personen zichzelf dwingt te komen tot een ordening waaraan alle leden moeten gehoorzamen. Er is niet langer een persoon die als dictator bevelen geeft die zonder meer gehoorzaamd moeten worden. Ook is er geen bestuur meer dat door de macht van stemmenmeerderheid gekozen is en dat op grond daarvan macht op de enkeling kan uitoefenen. De groep moet dus zelf tot een besluit, een afspraak, komen, met de vooropstelling dat dan ook iedere enkeling zich aan die afspraak zal houden. Ik heb dit genoemd: ,,zelftucht van de groep". Zij laat zich vergelijken met de zelftucht van de enkeling die geleerd heeft eisen te stellen aan zichzelf waaraan hij gehoorzaamt.

15. Er zijn enkele grondregels die moeten worden aanvaard door elke groep, hetzij klein of groot, die op deze wijze wil gaan werken:

1. Getracht moet worden de belangen van elk individu of van elke groep gelijkelijk te behartigen.

2. Waar het belang van de enkeling ingaat tegen dat van het geheel, moet het belang van de enkeling daarbij worden achtergesteld.

3. Op elk terrein moet gezocht worden naar een oplossing waarmee allen zich kunnen verenigen. De consequentie hiervan is dat alleen wanneer overeenstemming wordt bereikt gezamenlijk gehandeld kan worden.

4. Men moet zich houden aan de afspraken die men zelf heeft gemaakt of die zij, aan wie men zijn vertrouwen heeft eeschoi ken, hebben gemaakt, zolang deze van kracht zijn.

Enige toelichtingen op het bovenstaande zijn waarschijnlijk nuttig. Het eerste punt is in zekere zin het belangrijkste:

Sub. 1

16. De wezenlijke zorg van de mens voor zijn medemensen, de levendige belangstelling voor hun werkelijke belangen, is niet anders dan de liefde voor de naaste die in het Evangelie als de grote wet wordt gegeven. Het werd boven reeds gezegd:  Daar waar die zorg voor de ander, die warme belangstelling voor anderer belangen, die liefde bestaat, zal een geest ontstaan waarin werkelijke harmonie mogelijk is. Als die geest er niet is, is sociocratische ordening niet mogelijk. Waar deze geest wel ontstaat, leert de praktijk dat rnensenkinderen van de meest uiteenlopende overtuigingen en opvattingen, karakters, milieus, leeftijden, in staat zijn samen te werken en samen oplossingen te vinden voor de problemen van hun gemeenschappelijke leven en werken. Het is gebleken, dat zelfs in zeer moeilijke gevallen, waar het onmogelijk leek tot een oplossng te komen, deze toch ten slotte bereikbaar was. Wel leert de ervaring dat er wel eens een fout gemaakt kan worden, maar bij een normale ontwikkeling van het maatschappelijke leven, en vooral na meerdere training in deze kunst van samenwerken, zal de werkwijze meer en meer volkomen kunnen worden toegepast.

Sub. 2

17. Als eenmaal aan de eerste voorwaarde is voldaan, zal het achter-stellen van het belang van de enkeling hij het belang van het geheel niet iets zijn dat behoeft te worden opgelegd, maar zal dit als vanzelfsprekend door de enkeling worden aanvaard, ja gewenst.

Sub. 3

18. Het derde punt leidt tot twee ernstige gevolgen. Vooreerst, dat een groep die in een bepaald geval niet met algemeen goedvinden tot een plan van actie besluiten kan ,,gedoemd is tot inactiviteit", dus veroordeeld is niets te doen. Op zich zelf is dit niets nieuws: ook bij de parlementaire democratie kan maar al te vaak niets gedaan worden doordat de ,,stemmen staken", of een meerderheid zo zwak is dat zij niets kan uitrichten. Bij de sociocratische werkwijze zal een dergelijke toestand echter elk van de leden van de groep aansporen tot een intens zoeken van een uitweg, wellicht van een derde mogelijkheid waarover wel allen het eens kunnen zijn. Terwijl bij de parlementeire democratie in zo’n geval de verschillen der partijen eerst recht scherp worden geaccentueerd en de seheidingen heviger worden dan ooit, zal juist dan bij sociocratische ordening een gezamenlijk zoeken kunnen ontstaan, dat de gehele groep zich meer dan ooit als één doet gevoelen. Wel te verstaan, als men weet dat men inderdaad eenstemmigheid moet bereiken.

19. Iets moet echter wel hieraan worden toegevoegd: Als men geen overeenstemming kan bereiken tot een gezamenlijk handelen, zal dit veelal betekenen dat de bestaande toestand voorlopig bestendigd wordt. Het lijkt alsof dit moet betekenen dat op deze wijze conservatisme en reactie zich gemakkelijk kunnen handhaven en dat werkelijke vooruitgang onmogelijk moet worden. De praktijk heeft mij echter geleerd dat het tegendeel waar is. Het wederzijds vertrouwen waarvan het sociocratische stelsel stilzwijgend uitgaat leidt onvermijdelijk tot vooruitgang en deze is aanmerkelijk groter wanneer men allen samen datgene doet waarover men het eens kan worden, dan wanneer een deel van de gemeenschap meer wil bereiken, maar door een oppositie voortdurend wordt bestreden en tegengewerkt. In zo’n geval wordt namelijk een groot deel van de energie van beide partijen verbruikt voor het neutraliseren van elkaars activiteit.

20. Voorts: Wanneer het er om gaat dat de groep vertegenwoordigd moet worden in een college, bestaande uit afgevaardigden van een aantal overeenkomstige groepen, kan alleen een vertegenwoordiger gezonden worden wanneer allen hun vertrouwen in hem of haar kunnen stellen. Blijkt dit onmogelijk, dan wordt de groep in het hogere college niet vertegenwoordigd, en zullen de belangen van deze groep voorlopig door de vertegenwoordigers van andere groepen moeten worden behartigd. Deze behartiging zal, gegeven de eerste grondregel, wel volkomen welwillend kunnen zijn, maar toch is het voor zo’n groep natuurlijk wenselijk, een eigen vertegenwoordiger te hebben. Ook hier is de derde grondregel een sterke prikkel om te geraken tot overeenstemming. De praktijk leert overigens, dat wanneer afvaardiging niets te maken heeft met macht, maar alleen uiting is van vertrouwen, het vinden van de geschikte persoon geen aanleiding geeft tot onaangename gevoelens, en meestal met een zekere gemakkelijkheid geschiedt.

Sub. 4

21. De vierde grondstelling wil zeggen dat als overeenstemming wordt bereikt, een afspraak van kracht en bindend is voor allen die hem hebben gemaakt, maar ook in het geval van een college van hoger orde voor hen die degenen die de groep vormen direct of indirect als vertrouwenspersonen hebben afgevaardigd. Er schuilt een gevaar in het feit dat ieder zich ook moet houden aan afspraken die in zo’n hoger college door vertrouwenspersonen zijn gemaakt, aan wier keuze hij slechts indirect heeft kunnen meewerken. Dit gevaar is zonder twijfel eigen aan alle ,,getrapte verkiezingen", maar in het bizonder is het aanwezig in het parlementaire stelsel. Men bepleit dan ook steeds het direct verkiezen door iedere ,,man in the street" van de centrale met grootste macht beklede leiders. Daartegenover staat echter het feit, dat zulk verkiezen bij de meesten op zeer oppervlakkige grondslagen rust, terwijl, zoals boven werd aangewezen, licht allerlei factoren gaan meespreken. Aan de andere kant ontstaat een wezenlijk andere toestand wanneer, zoals bij de sociocratie het geval is alleen afspraken gemaakt worden waarover allen het eens zijn.

22. De ervaring heeft geleerd, dat een groep die op deze wijze werken wil, een bepaalde grootte moet hebben. Een te kleine groep brengt licht subjectieve questies te veel naar voren. De groep moet uit een voldoende aantal personen bestaan, wil het persoonlijk element terugtreden in vergelijking tot de objectieve eisen van de problemen die de groep bezig houden. Wanneer de groep te groot is, wordt deze te moeilijk hanteerbaar: het wordt lastig de nodige rust te verkrijgen; er zijn te velen die over een onderwerp gedachten willen uiten; in het kort, het geheel wordt zwaar en onhandelbaar. Bij besprekingen over grotere richtlijnen en algemene principiële onderwerpen is een groep van ongeveer 40 personen gebleken het meest praktisch te zijn ("Bespreking"). Waar het gaat om het uitwerken van de afspraken van zo’n lichaam, is iets als een dagelijks bestuur of een commissie nodig en daar zal een groep van 3 tot 5, hoogstens 7 personen het best en het snelst kunnen werken.

23. Het werk van zo’n dagelijks bestuur of zo’n commissie is feitelijk niets nieuws. Wanneer wij de ontelbare commissies en besturen die steeds aan het werk zijn, eens konden bestuderen, zouden wij ongetwijfeld merken, dat in die welke het beste werk doen, vrijwel niet gestemd wordt. Zij werken al op een basis van overeenstemming. Wanneer in dergelijke kleine colleges gestemd moet worden, is het meestal een bewijs dat de sfeer niet goed is. Merkwaardig is in dit verband, dat reeds nu in vele belangrijke colleges het bereiken van overeenstemming niet alleen usance is geworden, maar zonder meer geëist wordt. Interessante voorbeelden hiervan zijn nu en dan tot onze kennis gebracht. Het is in dit verband merkwaardig dat in het pact van de Volkenbond de eis van overeenstemming werd gesteld. Dit moest echter tot mislukking leiden, daar sociocratische ordening slechts geleidelijk en ,,van onder-op" kan worden verkregen en niet van bovenaf kan worden opgelegd.

24. Uitermate belangrijk bij het uitvoeren van de sociocratisehe ordening door middel van een Bespreking van gemiddeld ongeveer 40 personen is natuurlijk de leiding. Het is inderdaad waar, dat van de leider van zo’n Bespreking zeer veel afhangt. Ja zelfs blijkt het dikwijls, dat zolang er niemand is die een Bespreking goed kan leiden, deze niet alleen weinig nuttig werk kan verrichten, maar ook niet gemakkelijk tot duidelijk omschreven overeenstemming kan komen. Het gaat hier werkelijk om een zekere techniek, die kan en dan ook moet worden aangeleerd, wil het mogelijk zijn dat goede resultaten worden bereikt. Dit is een van de belangrijkste onderdelen van de opvoeding tot sociocratie waarover later meer gezegd zal worden.

DE NIEUWE SAMENLEVING

25. De vraag is nu, hoe zou de sociocratische werkwijze kunnen worden toegepast bij de regeling van het gemeenschapsleven in ons land. Er moet allereerst komen een ,,Buurtbespreking", bestaande uit een veertigtal gezinsvertegenwoordigers. Alleenstaande personen moeten zelf kunnen komen, terwijl ieder gezin door één persoon, allicht vader of moeder, vertegenwoordigd is. Deze Buurtbespreking verenigt de mensen die vlak bij elkaar in de buurt leven, en die dus het gemakkeljkst kunnen samenkomen om de belangen van de buurt te bespreken. In de steden is het gebruikelijk dat men zijn buren in het geheel niet kent. Het zal een voordeel zijn, als wij door een Buurtbespreking er toe gedwongen worden ons te interesseren voor de mensen die vlak bij ons wonen. Op het platteland wonen de ,,buren" dikwijls tamelijk ver af, maar meestal is er tussen hen reeds nu veel meer verband dan in de steden. Zo’n Buurtbespreking zal dan bijvoorbeeld een 150-tal personen, inclusief kinderen, kunnen bestrijken. Elke Buurtbespreking die er in slaagt met algemeen goedvinden een vertegenwoordiger af te vaardigen zal dat kunnen doen naar een Wijkbespreking", die dan dus gemiddeld een 6000-tal personen zal omvatten.

26. In het algemeen zal men kunnen zeggen, hoe groter het gebied is waarover een Bespreking regelend optreedt, des te minder vaak zal de Bespreking samenkomen: buren zouden als het nodig was van de ene dag op de andere contact met elkaar kunnen hebben. Wijkregelaars zouden om de andere week of één maal per maand kunnen samenkomen. De vertegenwoordigers van circa 40 wijken vormen een ,,Districtsbespreking" die regelend optreedt over gemiddeld een 240.000 personen. Amsterdam zou dan b.v. een viertal Districtsbesprekingen, Utrecht met zijn omliggende dorpen er één kunnen vormen enz. In ongeveer 40 Districten zal het geheel van onze 9 miljoen inwoners kunnen omvat worden. In de ,,Landsbespreking" worden dan dus de belangen van alle 40 districten naar voren gebracht door de districtregelaars, aangenomen dat elk van de districten er in slaagt een persoon te vinden die volledig het vertrouwen van allen bezit. Wij moeten even wennen aan deze gedachte dat een afgevaardigde wezenlijk vertrouwde is van de gehele groep. Wij zijn zo gewend te denken aan een afgevaardigde die door een meerderheid ter vertegenwoordiging is benoemd, terwijl een minderheid geen vertrouwen in hem of haar stelt. Het is een wezenlijke voorwaarde voor de sociocratische werkwijze, dat vertrouwenslieden ook het volle vertrouwen van allen bezitten. Hebben zij dit, dan is daardoor vlot en efficiënt werken mogelijk.

27. Hoe grote behoefte er bestaat aan zulke algemeen-vertrouwde plaatselijke leiders hebben wij vaak kunnen opmerken. Wanneer wij hoorden van corruptie, en van misstanden op allerlei terrein, vroegen wij ons af, hoe zou het zijn als er vertrouwenslieden waren, waaraan wij al zulke zaken konden voorleggen, als er leiders waren die een algemeen prestige bezaten en die zelfs door allen spontaan gehoorzaamd zouden worden, als een noodtoestand dit zou eisen.

28. Juist waar de gehele sociocratische ordening berust op vertrouwen, is het in het geheel geen bezwaar als naast de zo even genoemde vertegenwoordiging met zijn buurt-, wijk-, districts- en landsbestuur die wij de ,,geografische vertegenwoordiging" noemen, een tweede stelsel van vertegenwoordiging wordt opgezet, nl. de ,,functionele vertegenwoordiging". Wij zullen het woord corporatie maar niet gebruiken, daar dit een te onaangename klank voor ons heeft gekregen door zijn associatie met al het vreselijke van de laatste jaren; maar de gedachte van functionele vertegenwoordiging op zichzelf is dunkt mij zeer redelijk en voor-de-hand-liggend. Trouwens deze gedachte is niet van het nationaal-socialisme afkomstig, maar werd al veel eerder in geheel andere kringen gepropageerd. Ook de verschillende industrieën en beroepen moeten door een stelselmatige vertegenwoordiging afgevaardigden sturen naar primaire, secondaire, waar nodig tertiaire Besprekingen en de vertrouwenslieden van deze verschillende kringen van werkers op allerlei terrein moeten steeds beschikbaar zijn om hun vakkundige adviezen aan de Regering te geven, naast de adviezen van de afgevaardigden zo even genoemd.

29. Ik noemde daar het woord ,,Regering". Het ligt niet in mijn bedoeling, te trachten een plan voor te stellen volgens hetwelk deze eenmaal langs sociocratische weg zou kunnen worden gevormd. Ik zie het nl. zo, dat wij moeten uitgaan van de werkelijke toestand zoals die thans is. Er is een regering die de macht in handen heeft en die deze macht uitoefent, om van boven af zo goed mogelijk orde te verkrijgen en te bewaren. Deze regeling van boven af is er dus het eerst. Zij is er altijd het eerst. Steeds heeft iemand of heeft een groep personen de macht in handen, en het is alleen, als die centrale macht het wil, dat ,,van onderop" een democratisch instituut wordt ingesteld, op de wijze waarop, en tot op de hoogte waartoe, de centrale macht die wijziging nodig oordeelt of toelaat. Zoals ik reeds in het korte geschriftje zei, mogen wij m.i. dankbaar zijn dat de regering, die thans de macht bezit, de uitgesproken wens heeft, weer te komen tot een wezenlijke democratie in die zin, dat de stem des volks weer gehoord zal kunnen worden; dat wij enkelingen dus mede verantwoordelijkheid zullen kunnen dragen in de regeling van het gemeenschapsleven; in het kort dat er weer vrijheid zal ontstaan. Het heeft daarom geen zin nu te gaan verkondigen, hoe een regering zou kunnen of moeten worden gevormd. Wij moeten uitgaan van de toestand die er is, en het enige wat mogelijk zal zijn is, dat met volle instemming van de regering een begin gemaakt wordt met sociocratisch werk geheel "van onderop", dus voorlopig alleen door de vorming van ,,Buurtbesprekingen". Wij mensen möéten eenvoudig leren, onze gezamenlijke belangen met elkaar te bespreken, en overeenstemming te bereiken na rustig overleg, en dit kan het beste in zulke geheel plaatselijke Besprekingen. Pas wanneer wij allen gezien hebben hoe moeilijk dit is, en na het maken van waarschijnlijk veel fouten in het beoefenen van deze kunst, zullen ook Wijkbesprekingen kunnen worden ingesteld. Als er overal ,,Buurtregelaars" waren, dat zijn de leiders van ,,Buurtbesprekingen", zouden hun adviezen reeds bij de gewone inrichting van het gemeentebestuur van waarde blijken. Evenzo zou dit later, als er ook ,,Wijkregelaars" bestonden, in toenemende mate het geval zijn met hun adviezen.

30. De soçiocratische werkwijze zal zich zelf moeten aanbevelen door de efficiënte wijze waarop zij werkt. Wanneer de Overheid er voldoende vertrouwen in stelt om de uitvoering van Buurtbesprekingen mogelijk te maken, ja te bevorderen, zal het stelsel kunnen tonen wat voor mogelijkheden er in schuilen en zal het vertrouwen er in zowel bij de Overheid als bij de massa kunnen groeien. Ik zou mij kunnen denken dat aan de ,,vertrouwden" van de Buurtbesprekingen, dus aan de Buurtregelaars, zou worden toegestaan, ja opgedragen, de Gemeenteraadsvergaderingen bij te wonen. Deze mannen en vrouwen zouden uiteraard niet aan stemmingen deel nemen, daar de sociocratie niet gelooft in stemmen, maar hun zou kunnen worden toegestaan een centrale plaats in te nemen tussen de ,,linkse" en ,,rechtse" partijen. Ja zelfs zou het na een tijd wenselijk geacht kunnen worden, hun het eerst om advies te vragen over een onderhavige kwestie, als die in de Buurtbesprekingen reeds van te voren was overwogen, omdat immers in zulke besprekingen naar een allen bevredigende oplossing gezocht was. Ook is het denkbaar dat naarmate het vertrouwen in de sociocratie groeit, bepaalde zaken aan de Besprekingen ter uitvoering zouden worden overgedragen, dat hun daarvoor de nodige financiën zouden worden verstrekt. Alleen wanneer gaandeweg het vertrouwen in het nieuwe stelsel allerwege zou groeien, zou de invoering over grotere gebieden mogelijk worden. Alleen die Besprekingen, die er in zouden slagen een vertrouwde aan te wijzen, zouden aldus in de parlementair-democratische colleges gehoord kunnen worden. De andere waar de geest niet goed was, zouden zolang onvertegenwoordigd blijven. Zij zouden zichzelf op deze wijze uitschakelen, en zouden daardoor voorlopig zonder meer hebben te doen wat hun werd voorgeschreven.

31. Vraagt men of het bijwonen van Besprekingen verplicht zal moeten worden gesteld, dan antwoord ik dat dit niet nodig of wenselijk zou zijn. Men zal vanzelf komen als men weet dat men zich zal hebben te houden aan de afspraken die worden gemaakt. Alleen de onverschilligen zullen wegblijven, en zij kunnen gemist worden!

32. Vindt men een ontwikkeling in deze zin fantastisch? Laat men dan bedenken, dat de inrichting van de gemeenschapsordening zoals wij die tot nu toe hebben gekend althans tot op zekere hoogte tot een rampzalige catastrofe van de tegenwoordige tijd heeft geleid, zodat wij allicht op een wezenlijk andere basis moeten gaan bouwen wil de toestand ook werkelijk beter worden. Bij het overwegen van de mogelijkheid van een ordening op sociocratische grondslag staat echter één ding vast, en wel dat iets dergelijks geheel ondenkbaar is, wanneer het niet samengaat met en gedragen wordt door een bewuste opvoeding tot sociocratisch werken van jong en oud. Hierover willen wij dan thans nog nadenken.

33. Tot slot moeten wij nog even terug komen op het systeem van vertegenwoordiging door afgevaardigden. Wij bleven nl. staan bij het bestuur van ons land. Het grote probleem van de gemeenschapsordening zal echter nooit kunnen worden opgelost op een nationale basis. Wel kan een landsbestuur, voorgelicht door de geografische en de functionele vertegenwoordiging er in slagen een goede regeling te scheppen en te onderhouden, zodat orde en rust, welvaart en geluk, mogelijk worden. Het ligt echter voor de hand dat er vele problemen zijn die niet binnen de nationale grenzen kunnen worden opgelost. Ieder land is, zoals wij weten, afhankelijk van de grondstoffen en producten die door andere landen geleverd moeten worden, en zo is het onvermijdelijk dat het systeem van afvaardiging en vertegenwoordiging moet worden uitgebreid over het gehele continent. Een ,,Continentsbespreking" moet de zaken van het gehele werelddeel regelen. De tegenwoordige techniek op het gebied van communicatie, transport en organisatie maakt iets dergelijks ongetwijfeld mogelijk.

34. Ten slotte moet evenzo een ,,Wereldbespreking" de vertegenwoordigers der continenten verenigen, om aldus eenmaal te komen tot een redelijke verdeling van de voor de gehele mensheid beschikbare grondstoffen en produkten. Zolang alles door vrees en wantrouwen wordt beheerst, is dit grote wereldprobleem vanzelfsprekend onoplosbaar. Als eenmaal, en in de mate waarop, het vertrouwen toeneemt en de vrees verdwijnt, wordt het probleem echter teruggebracht tot zo eenvoudige verhoudingen, dat een kind het zou kunnen oplossen. Alles hangt af van de geest die zich baan breekt onder de mensen. Moge het zijn, dat na de vele eeuwen van vrees, achterdocht en haat, steeds meer een geest van verzoening en wederzijds vertrouwen zich verbreiden zal. Ik geloof dat de bewuste beoefening van de kunst van sociocratische ordening en de opvoeding daartoe, de zekerste wegen voor de mensheid zijn om dichter bij een redelijke regeling van de wereldproblemen te komen.

"Redelijke ordening van de mensengemeenschap"
Bilthoven, 5 mei 1945, Kees Boeke

Biografische gegevens: Boeke, Cornelis (1884-1966) en Cadbury, Beatrice (1884- 1976). Kees Boeke: Ingenieur; onderwijsvernieuwer; in 1911 naar het opleidingscentrum voor Quaker-zendelingen te Birmingham; zendingswerk in Syrië 1912-1914; actief voor de vrede in Engeland tot zijn uitwijzing in 1918; oprichter van de Werkplaats in Bilthoven in 1926; actief in de vredesbeweging; in 1911 gehuwd met Beatrice Cadbury. Later afstand van de Quakers. Hij publiceerde "Kindergemeenschap" (Utrecht 1934). Ondanks (of juist dankzij!) zijn vernieuwende ideeën werden drie Nederlandse princessen 6 jaar lang aan zijn pedagogische leiding toevertrouwd.

terug.gif (769 bytes)

2002 © Copyright Kees Boeke Stichting. Geplaatst met toestemming van mevrouw C.B.Boeke