Hoofdstuk 1
HET ONTREDDERDE WESTEN

Inhoud

Voorwoord

1.
Het Ontredderde
Westen

2.
Variaties op Eenzelfde Thema:
Politieke Filosofie van Plato tot Bodin

3.
De Nieuwe Unie:
Historische

Achtergronden

4.
De Natuurlijke Socio-Politieke Orde volgens Johannes
Althusius

5.
Het Koninkrijk van Hemel en aarde

6.
Overleven

7.
De "Individuele" Strategie/Het Grote Leerproces

8.
De Collectieve Strategie

9.
De Europese Unie der Autonome Regio’s

10.
Vraag & Antwoord

11.
Literatuur

A.
Report van het WWF

B.
Burgers van de 21e eeuw

C.
De Europese Unie der Autonome Regio's

 

1. Historische verhandeling over het geestelijk bankroet van de westerse cultuur en de rol van patriarchale religie (Christendom) daarbij. Om de ware aard van de crisis te doorgronden, moeten de wortels van de scheefgroei blootgelegd worden. Alleen als de juiste vragen gesteld worden, krijgen we de juiste antwoorden. Het zal geen pijnloze operatie zijn. Omdat we met de rug tegen de muur staan, rest ons echter geen andere keus. De hiernavolgende kritiek is alleen op het systeem. Zij is geenszins gericht op personen en groepen die zich vanuit christelijke inspiratie inzetten voor de medemens. Niemand hoeft zich persoonlijk aangevallen te voelen. Integendeel. Door inzicht in ons gemeenschappelijke lijden - de vervreemding van onze existentiŽle wortels - van zowel christenen en niet-christenen, zal het onderlinge begrip alleen maar gegroeid zijn. In deze tijd zullen we elkaar nodig hebben, niemand uitgezonderd.

Inleiding

2. Iedere ideologie schrijft zijn eigen geschiedenis. Zolang wij in de „vooruitgang" geloofden, hebben wij onszelf eeuwenlang het optimistische verhaal van onze westerse superioriteit voorgehouden. De geschiedenis diende als bevestiging van het beeld wat wij van onszelf hadden. Zo was de christelijke boodschap een van „liefde", de Renaissance „het ontluiken van het bevrijde ik", de „Verlichting" (sic) de „triomf van de rede" evenals het industriŽle tijdperk „welvaart voor iedereen" bracht en de postmoderne tijd de „eeuw van de communicatie" is. Meer diepzinnige denkers schreven de geschiedenis als de „evolutie van het bewustzijn", een trend die hedentendage nog gretig aftrek vindt. Daarbij zou de geschiedenis van de mensheid wetmatig in de richting van een „kosmisch bewustzijn" gaan. Een eindtoestand waarin alles „goed komt". Alles hing (hangt) daarbij af van het vooruitgangsgevoel. Het gevoel dat wij voortdurend „onderweg" zijn naar iets beters: materieel, psychologisch of spiritueel.

3. In de laatste decennia is dit gevoel echter snel afgebrokkeld. Ervoor in de plaats kwam een gevoel van onbehagen. Terwijl alles ogenschijnlijk nog „glad" verliep, bekroop ons in toenemende mate het gevoel dat „er iets niet klopte". En wie hedentendage nog weet vol te houden dat er niets aan de hand is met de wereld, wordt door de meeste van ons toch al gauw meewarig aangekeken. De toekomst met zijn immense problemen - ziet er immers niet meer zo zonnig uit. Ons levensgevoel is in verbazend korte tijd volledig omgeslagen. De snelheid waarmee dat gebeurde, heeft iedere orientatie onderuitgehaald. We hebben nergens meer houvast aan. Het kader van waaruit wij onszelf en ons leven als zinvol ervaarden en begrepen is volledig weggvallen. En met hen de oude interpretaties van het verleden, de geschiedenis. Deze heeft haar betekenis verloren: wij kunnen er niets meer mee. En daarmee de vraag naar een nieuwe interpretatie en zingeving.

4. De kardinale vraag is natuurlijk hoe het zo snel tot een zo grote ontreddering kon komen. Alles leek toch goed te gaan. Als geen andere cultuur heeft het Westen zijn individuele vrijheid bevochten en verkregen, er is welvaart voor iedereen, er zijn voortdurend nieuwe en spectaculaire successen op het gebied van wetenschap en technologie, worden we steeds ouder en is onze demokratie het model voor de gehele wereld geworden. De interpretatie van onze geschiedenis gaf daarbij bovendien alle steun. Met verbijstering kijken wij echter naar de werkelijkheid: de individuele vrijheid die als zinloze leegte steeds meer een nachtmerrie wordt, de welvaart die met grote snelheid de kloof tussen arm en rijk vergroot, de technologie die ons tot (consumptie)slaaf heeft gemaakt, de massale afkeer van de moderne geneeskunde en het „ideale" model van demokratie waarin niemand meer in is geinteresseerd. De recente gebeurtenissen geven alle indruk van een omslagpunt. Plotseling slaat alles ogenschijnlijk in het tegendeel om. Als wij dit aannemen en daar is alle reden voor, dan moeten er reeds langere tijd ontwikkelingen zijn geweest die ertoe geleid hebben en die die wij - verblind door onze officiŽle interpretaties en conclusies - nooit hebben opgemerkt.

5. Er zijn bijvoorbeeld parallellen met de natuurwetenschap, de geneeskunde, de ecologie en de sociale wetenschappen. Een ogenschijnlijk stabiel molecuul krijgt ongemerkt en over langere tijd zoveel energie toegevoerd - of wordt zoveel energie aan onttrokken - dat hij van het een op het andere moment een quantumsprong maakt en in een volledig ander molecuul verandert. In een (jarenlange) symptoomarme fase - „niets aan de hand, ik voel mij kiplekker" - hopen de afval- en gifstoffen zich ongemerkt in het lichaam op, tot er een grenswaarde wordt bereikt. Weinig (een griep, overeten, stress) is dan voldoende om „plotseling" een hartinfarct of de eerste reuma-aanval te krijgen. Een bos ziet er ogenschijnlijk (nog) gezond uit. De reeds jarenlange inwerkingen van uitdroging, mineralenverstoring van de bodem en luchtverontreiniging blijven echter langere tijd onzichtbaar. Totdat eveneens een kritieke grenswaarde wordt bereikt en alles in korte tijd in het tegendeel omslaat. De bomen die er „gisteren nog gezond bijstonden" blijken nu opeens dodelijk ziek te zijn. Conclusie: bij een kritieke grenswaarde die veelal onopgemerkt is gebleven, slaan gebeurtenissen vaak in het tegendeel om. Dit geldt evenzeer voor sociale processen en interacties. Jarenlang wordt een politieke stellingname slechts door een kleine groep actief gepropageerd zonder duidelijk ingang bij de massa te verkrijgen. Dan „om onverklaarbare reden", bij het overschrijden van een kritieke grens, wordt zij „plotseling" het gemeengoed van iedereen. Wat de vier voorbeelden gemeen hebben is dit. Als wij eerder vat op de onderliggende processen en ontwikkelingen hadden gehad, was het wellicht mogelijk geweest in een aantal gevallen bij te sturen of het tij te keren. Inzicht in deze processen is daartoe echter de voorwaarde. De radikaal nieuwe interpretatie van onze geschiedenis dient hetzelfde doel: een hulp bij de uitweg uit de huidige wereldcrisis.

6. Als het er „opeens" niet zo rooskleurig meer uitziet en dat op zo’n omvangrijke schaal, dan moet dat wel ergens in de kiem aanwezig geweest zijn. Wat zijn de cruciale momenten geweest? Welke zijn de wetmatigheden die eraan ten grondslag lagen? Welke ontwikkelingen hebben ertoe bijgedragen en hoe kunnen wij deze interpreteren? Uitgaande van onze huidige Ontreddering die wel door niemand zal worden ontkend en dus als feit mag worden aanvaard, probeer ik de geschiedenis opnieuw te schrijven. De invalshoek is onze existentiŽle situatie. De mens is van tweevoudige oorsprong: met zijn geest geworteld in het Grote Bewustzijn („Hemel") en met zijn lichaam in de aarde. Iedereen zonder uitzondering - welke religie, cultuur, sociale positie of sexe je ook toebehoort - is in „Hemel en aarde" ingebed. Meer specifiek omvat heelwording de eenheid met jeZelf (bewustzijn), je psyche, je lichaam en de natuur, de medemens en de samenleving, alles in overgave aan het Uiteindelijke. Bij het doorlopen van de geschiedenis zullen wij de verschillende ontwikkelingen voortdurend aan dit criterium spiegelen. Het zal blijken, dat er een omgekeerde evolutie - regressie - heeft plaatsgevonden: die van het Zelf naar het ego. Hoewel in principe aan verschillende determinanten een gelijke waarde wordt toegeschreven - alles ontstaat dankzij de interactie van even „noodzakelijke" factoren - ligt bij onze studie de nadruk op de inwerking van macht op het spiritueel-religieuze leven. Geprobeerd wordt een „logische" samenhang te vinden tussen de huidige ontreddering en de daaraan voorafgegane fasen. Daarbij wordt het accent gelegd op de voor deze ontwikkeling doorslaggevende momenten en gebeurtenissen. Het is een beschrijving die niet de pretentie heeft een geschiedkundig werk te zijn in de klassieke zin. Alles hangt af van de helderheid van de bril die men draagt (en wie weet is mijn bril wel heel helder)...

7. Wij beginnen daarbij bij het begin: de oertijd. Onze naam voor dit tijdperk - GEBOORTE - is toepasselijk. De geboorte van de mensheid viel immers samen met het matriarchaat, de dominantie van de moeder cq van de vrouwen. Daarop volgt de VERLICHTING als de periode van de Grote Verlichten met o.a. Hermes Trismegistos, Echnaton, Pythagoras, Jezus en Plotinus. De VERDUISTERING is de tijd die daar onmiddellijk op volgde. Apostelen, vaders, leraren en kerk verstikten het spirituele leven in de kiem. In deze beslissende fase - te vergelijken met de eerste levensjaren van een kind - werd de oorspronkelijke eenheid van en het geworteld-zijn in Hemel, aarde en de samenleving verbroken cq vernietigd, met verstrekkende gevolgen voor de hele verdere ontwikkeling van de westerse wereld. De Middeleeuwse Mystiek was daarentegen de wederopleving van de oorspronkelijke inspiratie: RESTAURATIE 1. Door de eeuwenlange onderdrukking (inquisitie) hield dit echter geen stand. Vanuit het definitieve ontworteld-zijn had de mens geen keus meer: hij werd uiteindelijk teruggeworpen op het zelf. De INBEELDING („Renaissance") is dan ook het begin van de zelfverslaving (ego). Door deze onderdrukking werd dit afgescheiden-zijn van „Hemel en aarde" een duurzaam feit. De mens had geen andere keus, dan op zichzelf terug te vallen. Het mondde uit in de periode van ego-expansie: INFLATIE. Dit tijdperk van intellectualisme, rationaliteit en wetenschap noemt men - ironisch genoeg -„Verlichting". Een tweede reactie kon niet uitblijven. Een waarin de westerse mens althans probeerde opnieuw de wortels met hemel, aarde en de gemeenschap te herstellen: RESTAURATIE 2. De afloop was echter verre van gelukkig. De oorspronkelijke impuls - de Romantiek - ontaardde in fascisme en nationaal-socialisme. De ONTREDDERING is de culminatie van al het voorafgaande. In de moderne tijd en op het toppunt van zijn macht stort de westerse wereld zich in een complete chaos, de globale crisis. De afloop hiervan kan nog niet voorspeld worden. Van het inzicht, de kracht , het mededogen en de inzet van een ieder zal het afhangen of er werkelijk een OMMEKEER komt.

De Geboorte

Het Matriarchaat

8. Het staat vast dat de basis en het begin van onze cultuur matriarchaal was: gedomineerd door de Grote Moeder, de Godin en de vrouwen. Talloze vondsten (terracotta-beeldjes) en ook teksten getuigen daarvan. Aan duizenden voorbeelden kan worden geconstateerd, dat de vrouw in al haar kwaliteiten dominant was over de man. Het leven was gecentreerd rond de vrouwelijke archetypen van „vruchtbaarheid, orgastische emotionaliteit en peilloze diepte". De vrouw werd (door de man) vereerd als de oorsprong van het leven, van „Hemel en aarde", een bron waar ook hijzelf uit voortkwam. De Godin verenigde de heelheid van de schepping in zich, in haar kwam alles samen, van haar ging alles uit. Haar lichaam was hiervan de levende uitdrukking en het symbool. In het bijzonder werd haar kracht uitgedrukt in haar sex: vulva, schaamstreek, dijen, bekken en borsten. De kracht, magie en fascinatie die hiervan uitging was overweldigend. Mannelijke terracotta’s vielen daarbij volkomen in het niet. Zij lijken nog het meest op een mislukte mensenfiguur, onvolgroeid.

9. Moderne schrijvers(sters) benadrukken het feit, dat de oorsprongsmythe van vůůr het patriarchaat die van geboorte was. Alles komt daarbij voort uit de donkere Afgrond van het universum, uit "de Schoot van de Grote Moeder" 1). Alle zichtbare dingen hangen met elkaar samen, zij vormen samen het levensweb. Het is de reden dat de Grote Moeder ook bekend staat als de kosmische weefster. Het weefsel is het geheel van Hemel, aarde en mensengemeenschap, dat wat wij "schepping" hebben genoemd. Het opmerkelijke daarbij is, dat alles in relatie staat met alles, niets uitgezonderd. De vroegste mensen zouden zich "spontaan" deel hebben gevoeld van dit Geheel en ernaar gehandeld hebben. Die vroege intuitieve samenhang werd later de kosmische orde of levenswet genoemd. De mens heeft zich - met de opkomst van het patriarchaat, het kapitalisme en het individualisme - echter uit die oorspronkelijke samenhang losgemaakt. Het is de oorzaak voor het feit, dat hij van zijn context is vervreemd en op zichzelf teruggeworpen is. Een organisme, dat het contact met zijn voedende Bron heeft verloren, sterft vroeger of later echter af. De mens is daar geen uitzondering op. Wil de mensengemeenschap nog een toekomst hebben, dan dient zij zich opnieuw in die kosmische ordening in te voegen.

1) Zie ook: "De Schoot van het universum"

De mens werd het paradijs uitgejaagd om er in terug te keren

10. De vrouwelijke vruchtbaarheid viel samen met die der natuur; haar erotiek vertegenwoordigde de oerkrachten; haar (duistere) diepte als de ingang tot de religieuze dimensie. Zij bewaarde en hoedde het geheim, zij vertegenwoordigde de kringloop der seizoenen. De vrouw was hierdoor schitterend, overweldigend, vol van eigen kracht, van oerbeleving, genot en zelfbevestiging. Ook het dagelijks leven en de sociale structuur was volledig door de vrouw gedomineerd. De man had een ondergeschikte positie, die van ‘playboy’, bevruchter en werker. De groepsstructuur, de grootfamilie, was polyandrisch: meerdere mannen toegevoegd aan een vrouw. Terwijl het gehele leven gecentreerd was rond de Moeder-Godin-vrouw was het leven van een man niet veel waard. Te vergelijken met een bijenvolk: koningin, darren en werkbijen. Inderdaad vonden er regelmatig publieke orgieŽn op grote schaal plaats, waarin talloze mannen eenzelfde vrouw „bedienden", welke eersten dan vervolgens werden afgeslacht. Het archetype van de vrouw als leven schenkster en vernietigster („verslindster") is onmiskenbaar. Naast de „normale" insufficiŽntiegevoelens daar waar het de sexualiteit betreft, waren de „vroege mannen" bovendien dus nog bevangen door een tweespalt van diepe verering en angst. De „verschrikkingen van het matriarchaat" zijn sedertdien als herinnering diep in zijn psyche ingegrift. Zij zijn zowel het uitgangspunt en de verklaring voor veel van de mannelijke gedragingen in de erop volgende tijd- perken. Het begin van het patriarchaat als „een greep naar de macht" kan eruit verklaard worden. De onderdrukking van de vrouw en alles wat daarmee te maken heeft, heeft onze cultuur - en niet alleen de onze - diepgaand bepaald. De diepe verering van de maagd in de katholieke kerk met gelijktijdige verachting en afschuw van de vrouw als sexueel wezen („hoer") is er slechts een voorbeeld van. Daar het prille patriarchaat elke intrinsieke basis ontbeerde, werden de vrouwelijke waarden en kwaliteiten eenvoudig „geadopteerd". Zonder deze krachten werkelijk te bezitten, werd „God": de „Vader, schepper van hemel en aarde".

11. Commentaar: Het matriarchaat is ons ware „scheppingsverhaal". Het geeft aan hoe de vroege mens zichzelf ervaarde: in harmonie met de aarde. De vrouwen waren de draagsters van deze eenheidsbeleving, zij vertegenwoordigden de vitale krachten van de natuur. De mannen liepen in deze fase in ontwikkeling achter. Het is dan ook niet voor niets, dat zij in „Genesis" de rollen vervolgens hebben omgedraaid: Adam als „eerste mens" met Eva in de secundaire rol en hoe ironisch ...als verleidster.

De Verlichting

De Grote Verlichten

THOT HERMES (TRISMEGISTOS)

12. In het tijdperk van de Godin werd de religieuze dimensie als „duisternis" en „afgrond" ervaren, een oerbeleving te vergelijken met die van een ongeboren kind. Het accent lag daarbij op de eenheidsbeleving, het oceanische, op de eenheid met de natuur en haar oerkrachten. In deze fase werd de vitale basis van de mensheid gevormd. Zij werd gevolgd door de eerste fase van het patriarchaat, de tijd waarin het fundament voor sociale ethiek werd gelegd (farao’s, bijbel, griekse filosofie). Kennelijk waren hiermee tegelijkertijd voorwaarden vervuld voor een derde doorbraak: die van het bewustzijn, het innerlijke Licht. Dit deed zich op overweldigende wijze het eerst in het oude Egypte voor: met de Verlichting van de mythische Thot Hermes, ook bekend als de „Boodschapper van God".

13. Al het zichtbare en onzichtbare is in het Grote Bewustzijn ingebed. Mensen, planten, dieren en dingen zijn er gelijkelijk van doordrongen. Het Bewustzijn is het Alomtegenwoordige, het eeuwig Aanwezige. In ons manifesteert het zich op verschillende „niveau’s" of kwaliteiten die alle in elkaars verlengde liggen: van het „primitieve" ondergedompeld zijn in onze gedachtenwereld (ons „normale bewustzijn"), als de overstap naar het „in aandacht-zijn", „bewust aanwezig-zijn" tot en met „satori" (kleine Verlichting), de Grote Verlichting en het uiteindelijke Opgaan. De overgangen volgen een eigen wetmatigheid: die van sprongsgewijze geleidelijkheid. In de nieuwe toestand laat men de oude geheel achter. De nieuwe toestand is een thuiskomst, waarin je „ware Zelf" alsook - en tegelijkertijd - het Geheel Andere is. Er blijkt een breuk te zijn - een discontinue overgang - tussen degene die je denkt te zijn en degene die je Werkelijk Bent.

14. Deze weg tot het Zelf (Al) is de ware bestemming van een ieder. Sommigen ervaren het tijdens het leven, alle anderen - zonder uitzondering - valt het ten deel in het sterven. Vandaar dat „sterven en opnieuw geboren worden" het centrale thema is voor diegenen die in DIT leven zijn wedergeboren in het „eeuwige leven". Dit opnieuw geboren worden is een thuiskomst, een ervaring (verwerkelijking) van de ware Oorsprong. Je bent verenigd met je werkelijke Natuur, diegene die je bent, was en zal zijn. In deze (uiteindelijk) diepste dimensie vind je je ware heelheid, eenheid en diepste Wezen. Een Wezen dat het individuele bestaan overstijgt. Je „ware Zelf" blijkt de Essentie van het hele bestaan te zijn, niets uitgezonderd. In Mij ben ik de Essentie van de bomen, het gras, de wolken, de zee en de hemel.

15. „Thot Hermes" geeft in 17 verschillende geschriften - eerst mondeling doorgegeven en uiteindelijk in de 3e tot 1e eeuw BCE opgetekend in AlexandriŽ - verslag van zijn Verwerkelijking. Dit is wetenschappelijk vastgesteld. Er gaat echter zo’n indringende inspiratie vanuit, dat het onwaarschijnlijk is, dat zij niet op een grote verlichte vroeg-egyptische figuur terug zou gaan. Zo wordt gesproken over „het Ontwaken tot het Goddelijke", over „het Niets", over „de stilte als een Weg tot het Zelf", verder „Het Ontstaan van de wereld uit het Goddelijke", „God als Bron van alle Licht" en een Bergrede (...) over de „Wedergeboorte en Godsopenbaring". Zij zullen van grote invloed blijken te zijn op het hele verdere verloop van de westers spirituele cultuur. Vele grote leraren hebben hun inspiratie eraan ontleend. Was hij voor Echnaton, de verlichte egyptische farao, het stralende voorbeeld? Diverse centrale uitspraken van zowel Jezus als Plotinos vertonen opvallende gelijkenis met beelden zoals die door Thot Hermes zijn geschilderd. Vrijwel alle gnostieke stromingen zijn door hem diepgaand beinvloed. Alle leerstellingen van het latere Christendom - zoals de Opstanding, de DrieŽenheid etc. - zijn bij hem terug te vinden. In zijn eigen woorden kwam Thot Hermes (beschreven in zijn eerste boek) „vanuit het duister in het Licht, uit de wilde woesternij van het vluchtige aardse bestaan in het Thuisland, uit benauwdheid en tekort in de vrijheid van de Volheid". In zijn andere boeken geeft hij de uit zijn ervaring voortgekomen inzichten weer. Deze getuigen van een wijsheid, zoals deze na hem zelden zo wordt aangetroffen. Hij zegt zelf: „Daarna (na zijn verlichtingservaring) begon ik de mensen de bevrijdende boodschap van de Godsverwerkelijking te leren". En: „ziet met de ogen van het hart, opdat gij de poort van kennis vindt, alwaar het klaarheldere Licht is".

ECHNATON

16. Vanaf 500 BCE duiken er in de verschillende grote culturen mensen op die claimen dat zij het goddelijke Licht verwerkelijkt hebben. In China zijn dit bijvoorbeeld Lao-tse, Chuang-tse en Confucius en in India Shankara, Mahavira en Sakyamuni Buddha. In tegenstelling tot wat veelal wordt beweerd, was dit niet een tijd "waarin het Licht doorbrak". In prehistorische tijden leefden de mensen, net als alle andere wezens immers voortdurend in het Licht. Het Licht was er dus al, IS er van alle Eeuwigheid. Het nieuwe was, dat sinds het begin van het patriarchaat het mannelijke brein (ratio) zů geŽvalueerd was, dat het in begrippen, concepten en logica kon denken. Het kon zich voor het eerst uitdrukken. Vandaar dat rond die tijd de eerste verslagen gemaakt konden worden. De koploper van dit evolutionaire gebeuren was echter de pharao Echnaton. Hij is de eerste historische figuur, van wie wij weten dat hij verlicht was, de zoon van de Zon. Hij was voornoemden maar liefst 1000 jaar vooruit. Zijn Verlichting bracht een radicale ommekeer teweeg in zijn leven. In een tijdspan van 12 jaar verving hij de oude goden door Aton, de Zonnegod, voerde de nieuwe religie door in het hele land, en stichtte een nieuwe hoofdstad, Amarna. Zijn spirituele ervaringen verwoordde hij in zijn onsterfelijke hymnen. Door zijn innerlijke toestand was hij niet erg in oorlog geinteresseerd, daarentegen zette hij zijn bewind met grote hardheid door. Dat hem dit niet in dank werd afgenomen, bewijst de geschiedenis. Na zijn dood werd alles onmiddellijk in de oude staat hersteld.   

PYTHAGORAS

17. Het tijdperk van de VERLICHTING kent meer samenhang dan de meeste van ons vermoeden. De egyptische cultuur is duidelijk de bakermat voor vrijwel alles wat er later in het Westen is ontsproten. Thot Hermes is hierbij het grote licht en de inspiratiebron geweest. Vele eeuwen later zou Pythagoras gedurende de 20 jaar dat hij in Egypte woonde aldaar tot Verlichting zijn gekomen. Hij wordt aldus geciteerd: „Zoals God in mij is, is hij ook in u". Hij was de eerste griekse leraar die niet alleen de mens als goddelijk evenbeeld proclameerde, maar eveneens aangaf hoe met het Goddelijke ťťn te zijn. Dit bestond zowel in morele voorschriften als het vermijden van het boze, alsook aanwijzingen voor meditatieve inkeer. Hij was de eerste die het heelal „kosmos" noemde en de mens als de directe afspiegeling ervan: „microkosmos". Nog tijdens zijn leven werd hij door zijn volgelingen als „zoon van God" vereerd. Voor Jezus is Pythagoras met grote zekerheid een belangrijke inspiratiebron geweest. De eerste was immers ingewijde in de joodse secte der Essenen, en deze kwam wederom voort uit de pythagoreesche school. De overeenkomsten in uitspraken zijn dan ook opvallend.

JEZUS

18. In volgorde van de tijd is Jezus - na Pythagoras (en ongetwijfeld vele onbekende anderen) - de „derde" grote Verlichte van het avondland. Hij drukt zijn kernervaring ondere andere zo uit: „ik ben in de Vader en de Vader is in mij". Zijn verlichte staat wordt met „Christus" aangeduid. In tegenstelling tot Pythagoras heeft hijzelf geen geschreven geschriften achtergelaten, zodat het enige wat wij van hem weten via anderen tot ons gekomen is („evangeliŽn"). Het beeld wat wij van hem hebben, is daarom per definitie gebrekkig, noodzakelijkerwijs vervormd of lijnrecht verdraaid of in de mond gelegd. Hetgeen echter wel vaststaat is, dat hij een gedreven mens was, een die rondtrok, zijn boodschap verkondigde en vele ontmoetingen had met eenvoudige mensen. Zijn opvallend positieve houding ten opzichte van vrouwen, was voor die tijd (en de joodse cultuur) uitzonderlijk. Om vrouwen tegen willekeur te beschermen - de joodse man kon zelfs scheiden als hij zijn vrouw niet mooi genoeg vond - verbood hij bijvoorbeeld de echtscheiding en verbrak meermaals de patriarchale joodse ethiek en wet. De voortplanting die totdusver de sexualiteit had gedomineerd, werd vervangen door de liefde. Hij hield overigens van lijfelijke aanraking, bruiloften en - hetgeen duidelijk is geworden uit de gnostische evangeliŽn opgegraven bij Nag Hammadi - had een liefdesrelatie met een vrouw.

19. In talloze uitspraken schijnt Jezus over het Licht te hebben gesproken. „Ik ben het Licht: wie mij volgt, zal niet in duisternis zijn, maar ontvangt het Licht van het Leven". En in de bergrede zegt hij: „Gij zijt het Licht van de wereld" de mensen voorhoudend, dat het Licht in ieder van ons gelijkelijk aanwezig is. In het evangelie volgens Thomas lezen wij: Jezus zei: „Wie alles kent behalve zichzelf, mist alles". En ook: „Als gij dit Licht bezit, wordt gij aan mij gelijk". Het is duidelijk, dat uit deze en talloze andere uitspraken, zowel die uit de bijbel alsook uit de gnostische evangeliŽn, Jezus zichzelf kenbaar maakt als spirituele leraar, als degene die de mensen begeleidt in hun eigen spirituele proces. Elke verlichte boodschap wordt echter door diegenen die haar aanhoren - overeenkomstig ieders eigen verwerkelijking en inzicht - verschillend begrepen en geinterpreteerd. „Alleen zij die oren hebben horen". Dezelfde woorden die bij de een het innerlijk Licht doet doorbreken, wekt bij de ander slechts vertroosting. „Wat sprak hij toch mooie woorden", zou een gelovig christen zeggen. Zo wordt de rol van een Verlichte bepaald door de mate waarin zijn toehoorders hem verstaan. Niemand heeft dit beter beseft dan Jezus. Hij werd immers dagelijks geconfronteerd met de onwetendheid van zijn eigen volgelingen: „zij begrepen hem niet". De enig werkelijk ingewijde was Maria Magdalena, de „apostel der apostelen".

PLOTINOS

20. Voor Plotinos geldt hetzelfde, zij het dat voor hem Plato de verbindende schakel. Evenals Plato verstond Plotinos de goddelijke wijsheid echter niet uitsluitend intellectueel, maar oversteeg deze in het daadwerkelijke opgaan in het Ene. Na zijn eerste verlichtingservaring verzamelde hij mensen om hem heen aan wie hij zijn inzichten doorgaf. Daarbij „werd hij vaak door goddelijke geestdrift bevangen, waarbij het innerlijke Licht zijn gelaat doorstraalde" meldt zijn volgeling Porphyrius. De laatste was het overigens die de leerstellingen van Plotinos heeft opgetekend, geordend en uitgegeven in zes groepen van ieder negen geschriften („Enneaden"). Kern van zijn leer („Neo-platonisme") is, dat alles uit het Al-Ene voortkomt en terugkeert, en wel in verschillende trappen of bewustzijnsnivo’s („emanaties"). Zo emaneert het Al-Ene in het Zijn, het Zelf en deze uiteindelijk in het individuele bewustzijn. Het ware spirituele leven is de voortdurende ontvankelijkheid voor en het gericht-zijn op de Oorsprong. Ofschoon de zichtbare wereld niet wordt afgewezen: „zij komt als laatste emanatie eveneens uit het Goddelijke voort en heeft daarom een overeenkomstige schoonheid", toch is het heil gelegen in het loskomen van iedere identificatie door het gaan van de „weg terug". „Wie alle (aardse) zegeningen geniet, maar de Verlichting niet kent, is desondanks arm".

21. De kracht van Plotinos was het vertalen van zijn eigen verwerkelijking in een gedachtengoed dat daarvan een directe afspiegeling was. Bij het uitdragen van de boodschap is Verlichting op zichzelf niet genoeg. Het vooronderstelt dat men eerst zelf totaal is gelouterd en in principe vrij van elke gehechtheid, verslaving of dominantie van het kleine ik. Naast het spirituele leven is transformatie, integratie en heelwording van de gehele persoonlijkheid een voorwaarde. Dit blijkt in vele gevallen „moeilijker" dan de spirituele weg „zelf". Vele leraren „falen" dan ook, niet omdat zij niet „verlicht" zouden zijn, maar omdat zij op beslissende momenten toch door hun onverwerkte dingen c.q. het ego worden bepaald. Desastreus voorbeeld hiervan was Augustinus, die weliswaar verlicht, maar door zijn dwangneurotische sex- en machtobscessie de hele westerse cultuur onnoemelijk meer kwaad dan goeds heeft gebracht. Plotinos daarentegen - die niet voor niets een grote fascinatie op Augustinus uitoefende - heeft vanaf het begin een pure uitstraling gehad. Vrijwel alle grote leraren, van Scotus Eriugena, Dionysios, Gregorius van Nyssa, Basilius de Grote, het Hesychasme („Jezusgebed"), Nicolaas van Cusa, Eckhart tot en met modernere mystieken, zijn door hem diepgaand beinvloed. In feite waren zij - gemeten aan hun diepste ervaring - Neo-platonici, maar konden dit door de dominantie, schrijf onderdrukking van de kerk niet als zodanig uitdragen. Verlichten zelf (Jezus, Plotinos) manipuleren niet. Zij zijn als een „lam". Slechts een op macht belust instituut probeert anderen zijn wil op te leggen. Hetgeen dan ook is gebeurd.

22. Commentaar: Nadat de „de verbondenheid met de aarde" tot stand was gekomen (GEBOORTE), brak in de VERLICHTING de ervaring van de eenheid met de „Hemel" door. Hiermee had een nieuw evenwicht in de cultuur kunnen intreden. Maar, zoals reeds gezegd: transcendente ervaringen bepalen zelden de richting van ontwikkelingen. Andere tendensen en strevingen maken zich vaak meester van het Licht en manipuleren deze overeenkomstig de eigen doelstellingen. In dit geval waren het de mannen, die vanuit hun onvolgroeidheid, hun angst en de niet verwerkte trauma’s uit het verleden de volle eenheid met „Hemel" en „aarde" niet aankonden. De meesten vervielen in een krampachtige controle van wat hun bevrijding en vervulling had kunnen zijn.

De Verduistering

De Kerk

23. Er ontstaat een drama dat zich nog tijdens het leven van Jezus afspeelt. Stelt u zich voor: de geliefde meester voortdurend in gezelschap van zijn volgelingen. Degenen die hem het meest nabij zijn, begrijpen hem echter niet. Geen enkele is er verlicht, geen enkele zo onzelfzuchtig, geen enkele ook die zo moedig is als Jezus. Een tantaluskwelling dus: zij zien het allemaal voor hun eigen ogen gebeuren, niemand die het van binnenuit kan beleven. En dan deze vrouw: Maria Magdalena. Zij „heeft alles" wat deze „apostelen" niet hebben. Zij is ingewijd, vertrouwelinge en geliefde van de „heer". Een vrouw nog wel, in de ogen van Joodse mannen een tweederangs wezen, staat tussen hen en de „geliefde meester". Al hun patriarchale emoties en vooroordelen laaien geregeld op: „hij houdt van haar meer dan van ons" en „hij kuste haar op de mond". Afgunst kropt zich op. Men zint op wraak en wacht het juiste tijdstip af.

24. Terwijl in de periode van na de executie van Jezus Maria Magdalena haar eigen innerlijke Licht kon laten doorschijnen bij mensen die haar volgelingen werden, deden de apostelen vertwijfelde pogingen om met Jezus’ dood klaar te komen. Voor hen - in tegenstelling tot Maria Magdalena - „was er plotseling niets meer". Ook zij wilden doorgaan met het volgen van de „heer", maar wisten niet hoe. Een grote vertwijfeling maakte zich van hen meester: „was nu alles voor niets geweest?". Er moest iets op gevonden worden. En het was inderdaad hun vindingrijkheid, die de oplossing zou brengen. Hoe kregen zij greep op de verdere ontwikkelingen, nu dat niemand van binnenuit de werkelijke inspiratie had ontvangen? Het optreden van Maria Magdalena was in dit verband een doorn in het oog. Het Licht dat zij uitstraalde, als degene die werkelijk de inwijding van Jezus had ontvangen, bracht immers steeds meer mensen in geestdrift. Zij bleek een geduchte concurrente. De „heilige Geest" bracht hier de oplossing: in de pinksterbijeenkomst waarin alle apostelen tegelijk werden „verlicht" door de „heilige Geest"...

25. En wat te doen met het probleem van de „liefde". Ook hier weer is het Maria Magdalena die duidelijk in het voordeel is. Zij is niet alleen vrouw, waardoor zij al vanzelfsprekend warmte, aantrekkingskracht en diepte heeft, maar ook was zij intiem met de „heer" geweest, waardoor zij de logische voortzetster van de liefdesboodschap was. Tenslotte was zij „niet voor niets" uitverkoren door een verlichte Meester. De „apostelen" echter waren - en zij beseften dat - lege vaten. Gezien hun geslacht, afkomst en cultuur worstelden zij voortdurend met datgene waar Maria Magdalena zo vrijelijk over beschikte: inzicht, overgave en liefde. In het jarenlange samenzijn met Jezus waren deze dingen in henzelf niet wezenlijk veranderd of getransformeerd. En nu de „meester" hen ontvallen was en bovendien geconfronteerd met een (vrouwelijke) overmacht die zij nooit zouden kunnen overwinnen, werd het tekort tot wapen. Terwijl in werkelijkheid oude patriarchale paarden van stal gehaald werden tot inperking van de liefde, werd diezelfde „onoverwinnelijke" liefde juist geclaimd als ware zij het monopolie van de door de apostelen gestichte kerk". De apostelen begonnen de „boodschap van liefde" te verkondigen met de achterliggende bedoeling deze te beteugelen. Terwijl Maria Magdalena de werkelijke bruid van Jezus was geweest, werd dit vervangen door de voorstelling dat iedere vrouw - mits zij „kuis" ging leven - een bruid van Christus kon worden. Dat waren dan meteen twee vliegen in ťťn klap: contrŰle en dominantie over de vrouw, haar sexualiteit en de liefde. Dat enige tijd later „de kerk als de bruid van Christus" werd uitgeroepen, hoeft ons dan ook niet meer te verwonderen. De mannelijke angst voor de liefde werd steeds meer een obscessie deze onder contrŰle te krijgen. En het instituut met zijn priesterlijke macht, theologieŽn en sancties, leende zich daar het beste voor. Terwijl Jezus uitdrukkelijk de liefde de prioriteit over de voortplanting had gegeven, werd dit reeds in de eerste eeuw na Christus teruggedraaid. Het was een voortzetting van de onderdrukking van de vrouw (en alles wat zij vertegenwoordigde), hetgeen tot nu toe heeft voortgeduurd. Het dubbel onvermogen noch de Hemel noch de aarde te kunnen bezitten, werd vervangen door wat vanaf dat moment „de blijde boodschap" werd genoemd. Het oorspronkelijke geworteld-zijn - in Hemel en aarde - werd daarbij vervangen door een verhaal waarin iedereen moest gaan geloven. De ervaring van de werkelijkheid - de eenheid met Hemel en aarde - werd gereduceerd tot een afgeleide werkelijkheid, de wereld van beelden, voorstellingen en allegorieŽn. Dus werden goede vertellers (evangelisten) gevraagd.

26. Mijn stelling is, dat hiermee het zaad voor de latere ontwikkelingen, ja onze huidige ONTREDDERING was gezaaid. Aangezien de strijd met de werkelijkheid werd aangebonden, werd in toenemende mate het leven-zelf verminkt en vervormd. De „blijde boodschap moest gaan zegevieren over de wereld". En die wereld omvatte alles wat ‘s mensen eigen en dierbaar was. Deze niet gemakkelijke opgave kon dan ook vaak slechts met hysterische zelfverloochening „terwille van het Koninkrijk" - dat nog komen moest - tot stand gebracht worden. Martelaars werden bewust geofferd om indruk en ontzag bij de anderen, de „heidenen" op te wekken. Vrouwen werden op grote schaal aangemoedigd hun mannen te verlaten „terwille van Christus". De kerk speelde in op de aanwezige frustraties van vele vrouwen ten aanzien van het patriarchale huwelijk. Dit werd gevolgd door even hysterische polemieken tegen al diegenen die de „christelijke boodschap" niet wilden aannemen. En dat was zowat iedereen: Joden, „heidenen" en andersdenkende christenen („ketters"). Het werd een strijd tegen alles wat „anders" was, van de oude jaloerse joodse god tegen iedereen die zijn autoriteit niet wilde aanvaarden. Een ieder werd zonder onderscheid of respect de vrijheid over het eigen leven te beschikken ontnomen in ruil voor „de vrijheid in Christus". De felheid waarmee dit geschiedde kan alleen verklaard worden uit de eigen frustraties en de ontkenning van eigen onverwerkte psychische inhoud respectievelijk emoties. Bijvoorbeeld de afschuw over de „romeinse losbandigheid" als projectie van de eigen verdrongen sexualiteit. Velen hebben zich afgevraagd waar de kracht van de verkondiging vandaan kwam. Waarom nu juist het christendom zich heeft doorgezet en niet bijvoorbeeld het neo-platonisme? Mijn antwoord is: dank zij de (oneigenlijke) kracht geput uit de gigantische verdrongen energieŽn (verdringing van „Hemel en aarde"), geprojecteerd in „bovenmenselijke" idealen en doelstellingen. De bewoordingen waarmee anderen - bijvoorbeeld vrouwen - werden aangevallen of/en veroordeeld waren dan ook ronduit schokkend. Wat te denken van: „Jullie zijn de poort die de duivel de toegang biedt" („kerkvader" Tertullianus over de vrouw), „Als de mensen alles wat zich onder de huid (van een vrouw) bevindt konden zien...zou het aanzien van vrouwen slechts braken veroorzaken" (de „heilige" abt Odo van Cluny), „De vrouw is een mislukte man" (de „heilige" Albertus Magnus), terwijl het summum de heiligverklaring van Maria Magdalena was in de 6e eeuw. Omdat men haar niet verder kon negeren, maakte men haar notabene de „beschermvrouwe der zondaressen", van de hoeren wel te verstaan. Zoveel respect hadden de patriarchen nu voor de geliefde van hun meester.

27. Direct na de dood van Jezus is de ontworteling van de westerse cultuur, waarvan wij nu de wrange vruchten plukken, dus begonnen. Het op grote schaal opdringen van de „christelijke boodschap" met consequente onderdrukking en vernietiging van „tegenstanders". „Tegenstanders" die op alle mogelijke wijzen het gewone leven alsook het buitengewone leven vertegenwoordigden. Die ontwrichting goldt de relatie met zichZelf, zowel wat de wezenskern betreft (Zelfrealisatie als „godslastering en hoogmoed"; de beschuldiging tegen de „ketters"), de fundamentele krachten van de psyche (lichamelijkheid, sex, erotiek ) alsook het contakt met de natuur („de liefde tot de aarde is ontrouw aan God"). Citaat van „kerkvader" Ambrosius: „ziet gij een bloesem bloeien in het voorjaar, vertrap haar dan onmiddellijk voor God". De wortels „Hemel en aarde" moesten rŁcksichtslos vernietigd worden ten gunste van de identificatie met de „middelaar", Jezus Christus en in het verlengde daarvan: de kerk. Met de „bekering" van de heidenen had de kerk dan ook het contakt met de natuur vernietigd. Een klein maar illustratief voorbeeld daarvan is de „kerstboom". Om de „heidenen" ervan te weerhouden hun heilige bomen in het woud te vereren, werden deze laatste gekapt, in huis gehaald en tot versiering bij het „christkindje" gedegradeerd. Door deze en vele andere manipulaties werd de natuur steeds verder onderworpen aan de mens. De bekering werd overigens nu - in tegenstelling tot het „vuur" van de eerste christenheid - van bovenaf opgelegd. Dat dit niet altijd in dank werd afgenomen getuigt de moord op Bonifacius. Tot in de Middeleeuwen was de kerstening onvoltooid. Maar de grootste (dood)zonde die de kerk aangerekend kan worden, is de verloedering van haar eigen uitgangspunt: „God is Liefde". Als geen andere organisatie heeft juist zij consequent de liefde op alle wijzen verloochend, vertrapt en vernietigd. Dat de liefde (God) het hele bestaan doordringt en daardoor heiligt, werd consequent ontkent. Het uitgangspunt van de goddelijkheid van de schepping, inclusief de mens, was immers niet in het belang van een instituut, dat de mensen aan zich ondergeschikt wilde maken. Ook de sexualiteit was een geduchte concurrent. In haar „zaligheid" kon „God" (dus de kerk) maar al te gemakkelijk worden vergeten. Bijvoorbeeld werd in het huwelijk (laat staan daarbuiten!) de „sexuele liefde" in het beste geval slechts gedoogd („beter dan door sex geobscedeerd zijn") of in navolging van het joodse gebruik rechtstreeks veroordeeld. Het laatste bestempelde sexuele handelingen die niet tot voortplanting leidden „als gruwelen".De leerling van Justinus (Tatianus) noemt het „hoererij" en geeft daarmee de mening van zeer veel christenen uit alle tijden weer. Alleen die vorm van liefde die haar machtspositie ten goede kwam, werd niet alleen toegestaan, maar zelfs bevorderd: de liefde „tot Christus" (en dus de kerk) en de naastenliefde. Immers, bekommernis over de „zwakken en weerlozen" deed dezen vaak „tot het ware geloof" overgaan. De rechtvaardiging was de „verlossing van ieder mens door Christus" en het „koninkrijk dat komen zou". De door de kerk veroorzaakte ontwortelde „oude maatschappij" - met de woorden van Jezus „verlaat uw moeder en vader en volg mij" als alibi - zou vervangen worden door een geheel nieuwe samenleving: de „christelijke samenleving". Aan een ieder het oordeel of zij daarin geslaagd is.

28. Commentaar: Onze grote ONTREDDERING heeft zijn voorvaderen dus in het groepje ontredderde mannen, doorgaans „apostelen" genoemd. Als vertegenwoordigers van het patriarchaat stichtten zij een kerk, die onze cultuur verregaand zou vormen. Die „eerste kinderjaren" die zoals wij nu uit de psychologie weten, zijn doorslaggevend voor de (latere) psychische gezondheid van het individu. Hun onwetendheid, onvolgroeidheid, frustraties en de de daaruit ontstane controle- en machtsbehoefte is cruciaal gebleken voor de latere scheefgroei van onze cultuur: een huis met een ondeugdelijk fundament. De spirituele werkelijkheid - zoals door Christus voorgehouden - werd, zonder dat zij zelf verwerkelijkt of begrepen was, naar willekeur en in een verwrongen vorm op andere werkelijkheidsnivo’s zoals het Zelf, de onderlinge relaties tussen mensen en de relatie met de natuur geprojecteerd. Terwijl Jezus zelf nooit moede werd om te zeggen dat „alles van de Vader (God, „Hemel") kwam", werden de gelovigen gedwongen zich met Christus (de kerk) als de enige weg tot het heil te identificeren. De rechtvaardiging: „het leven in Christus" en de verwachting van het „koninkrijk" was een wanhopige projectie van het eigen onvermogen, culminerend in een hysterisch verwachtingspatroon, waarin iedereen werd meegetrokken. De grote aantallen bekeerlingen compenseerde het fundamentele gevoel van onzekerheid dat het kenmerk was van de apostelen vanaf het eerste begin dat zij hun huis en haard verlieten om Jezus te volgen. De kerk werd overigens al gauw het prototype van wat men heden (in negatieve zin) een „secte" noemt: Een blind geloof in een „heiland", de autoritaire structuur, indoctrinatie c.q. hersenspoeling, „irrationele" leerstellingen, het toepassen van sancties (...), het ongebreidelde machtstreven en de financiŽle exploitatie, het grote voorbeeld voor alle latere autoritaire regimes. Het is de tragiek van Jezus zijn inzet tot het afbreken van het patriarchaat „beloond te zien" met een patriarchale religie..., die in zijn naam twintig eeuwen lang de mensheid zou onderdrukken.

29. In tegenstelling tot de collectieve verdringing van het (ware) Leven in de orthodoxe kerk (het resultaat: een leven dat diepgang miste en dus „gemakkelijk" en ongecompliceerd; lees oppervlakkig was), stelden de gnostische christenen (volgelingen van Maria Magdalena) alles in het werk om geest en ziel, dus wezen en psyche met elkaar in overeenstemming te brengen. Het proces van spirituele zelfontdekking is noodzakelijkerwijs en tegelijkertijd een integratie, een heelwording van de totale persoonlijkheid. Volgens een valentiniaanse auteur „is onze psyche pas geintegreerd met ons wezen (vol-ledig), wanneer de Adam en de Eva in ons herenigd zijn". En ook liefde en sexualiteit werden bij de valentinianen over het algemeen positief gewaardeerd. Het bed werd bijvoorbeeld „bruidskamer" voor de opgang naar God genoemd. Deze christenen namen dus de verantwoording vooor hun eigen heelheid op zich, in tegenstelling tot de orthodoxe gemeenschapsethiek, waar het slechts op gehoorzaamheid ten opzichte van de kerk en de bisschoppen aankwam. Deze gnostische zelfintegratie ging zelfs verder dan bijvoorbeeld het boeddhisme, waar de spirituele weg eindigt met het „bereiken van Verlichting", het verwerkelijken van je „oorspronkelijke Gezicht". De (niet-dualistische) gnostici stelden aan zichzelf een hogere eis: te komen tot „ťťn Gezicht", het in harmonie brengen van de Essentie en de persoonlijkheid. Dat dit niet genoeg kan worden gewaardeerd zal duidelijk zijn. Hoeveel was de westerse cultuur niet bespaard gebleven c.q. tot bloei gekomen, als zij hun onderzoekingen hadden kunnen voortzetten.

30. De tijd die erop volgde was er een van het vestigen van het instituut kerk. Talloze leerstellingen en dogma’s werden vastgelegd veelal ten koste van „afwijkende" meningen en overtuigingen die daarmee gelijktijdig werden verketterd of in de ban gedaan. In de tijd dat Keizer Constantijn (313) tot het christendom overging, had het laatste zich reeds zo verbreid en geinstitutionaliseerd, dat het zich gemakkelijk in de nieuwe machtsstructuur „liet invoegen". In feite was het een secte „die de macht gegrepen had". In deze tweede fase van de VERDUISTERING had de kerk zich al ontdaan van een aantal van zijn meest schitterende kerkvaders: Clemens en Origenes. De eerste werd verketterd wegens zijn te grote waardering voor de gnosis - de weg van zelfinzicht - en de tweede grote Verlichte vanwege zijn tractaat over de drie (aanvullende) trappen naar vervolmaking: geloof, kennis (griekse wijsbegeerte) en Zelfverwerkelijking. Vooral de leerstelling van de „uiteindelijke algehele verlossing voor iedereen", waarbij de „eeuwige hel" dus werd afgewezen, zou hem de das omdoen. De kerk had teveel belang bij het voortbestaan van het „boze" als instrument om het volk binnen te kerk te houden. Daarnaast zou de veroordeling van het zogenaamde donatisme verstrekkende gevolgen hebben. Haar aanhangers eisten van degenen die de gemeenschap voorgingen een innerlijke kwaliteit, „heiligheid". Dit werd door de vroege kerk afgewezen met de stelling dat slechts formele ambtsuitoefening voor de functie van priesters en bisschoppen ruim voldoende was. Hoe liet de „jonge kerk" zich hiermee in de kaart kijken. Reeds toen was de eis tot onderwerping aan het instituut het hoogste gebod. De donkerste tijd werd ingegaan toen Augustinus, bisschop van Milaan op het toneel verscheen. Naast de (bekende) strijd met zijn sexualiteit, is het vooral zijn sombere visie op de menselijke vrijheid geweest, die door de gewijzigde omstandigheden - geen opstandige secte meer, maar een kerk die zich consolideren wilde - door de kerk als nieuwe leerstelling werd geaccepteerd. Deze „heilige vader" deinsde er ook niet voor terug steekpenningen te geven. Hij gaf de paus 90 nubische hengsten cadeau om hem voor zijn standpunten te winnen. Vooral de discussie met de jonge bisschop Julian van Eclanum is onthutsend. Terwijl volgens Augustinus de mens door de erfzonde tot het kwade is veroordeeld, en onmachtig is hier zelf iets aan te doen, verdedigt Julian - in navolging van Pelagius - het standpunt dat de dingen (zoals sexualiteit) in principe goed en natuurlijk zijn. Ook ziekte en dood - bij Augustinus ook het gevolg van en als straf voor de erfzonde - vallen bij Julian onder de natuurlijke wetten, waar elk levend wezen onder valt. Dat de kerk niet gebaat was bij dit bevrijdende standpunt zal duidelijk zijn. Beiden, Pelagius en Julian werden verketterd en in de ban gedaan. Augustinus sanctioneerde oorlog en (staats)geweld en keurde ten lange leste de openlijke vervolging van „ketters" goed. De weg was vrij wat al heel gauw de „normale" praktijk zou zijn: de grootscheepse vervolgingen en de brandstapels van de inquisitie.

Restauratie 1

De Middeleeuwse Mystiek

31. „De Geest waait waar hij wil". Op vele plaatsen en in de meest verschillende mensen vlamde plotseling na al deze duistere eeuwen het Licht op. De manifestatie was al even veelkleurig als de middeleeuwse maatschappij zelf. Nadat in de eeuwen ervoor John Scotus Eriugena op magistrale wijze een hernieuwde interpretatie van het neo-platonische wereldbeeld had gegeven, met daarin sterke „pantheistische tendensen", dook in de elfde eeuw een „pantheistische groep" rond Amalrik van Bena op. De laatste beweerde dat alles goddelijk was, zonder uitzondering. Ergens anders was ene Tanchelm van Antwerpen „opgestaan" die zich volhing met prachtige gewaden, toeters en bellen, om vervolgens rondtrekkend te verkondigen dat hij de nieuwe verlosser was. Op andere plaatsen zochten en vonden de armoedebewegingen als humiliaten en waldenzen de weg terug naar „het apostolische leven". In de beslotenheid van haar convent schreef de ingetogen Beatrijs van Nazareth haar „Van seven Manieren van Minnen", een extatische beschrijving van de vereniging met de goddelijke Minnaar. Een van de hoogtepunten van de europese spirituele literatuur: De Graallegende werd geschreven. En Ruusbroec , de „grootmeester der mystiek", schreef in het Groenewoud bij Brussel zijn welhaast wetenschappelijke verhandelingen over het opgaan in God. Daarbij kwam hij zo dicht bij de vergoddelijking van de mens, dat hij ternauwernood aan kerkelijke veroordeling ontkwam. Kort daarvoor leefde een zekere Bloemaerdinne, een unieke vrouw met groot „geestelijk gezag", die de erotiek („serafijnse liefde") propageerde als een middel tot opgaan naar en vereniging met God.

32. Zij was deel van een veel groter „netwerk" van oorspronkelijke inspiratie: de Broeders en Zusters van de Vrije Geest. Deze mensen getuigden van het vinden van God in hun eigen innerlijk, van Zelfrealisatie. Zo zegt een onbekende Rijnlandse kluizenaar: „De goddelijke Essentie is mijn Essentie en mijn Essentie is de goddelijke Essentie". Of zoals ene zuster Katrei het uitdrukte: „in mijn diepste wezen ben ik God". De grote inspirator van de „beweging" was de „meester in de Mystiek" - Eckhart - die in zijn Duitse preken veelvuldig soortgelijke uitspraken deed. Hij zegt bijvoorbeeld: "Wanneer je opgaat in het puur Goddelijke, waarvan God slechts een openbaring is, dan zul je nog zaliger zijn. Volkomen zalig wordt je pas, wanneer je in de leegte van het Goddelijke verdwijnt, daar waar geen activiteit, noch beelden zijn en waar geen God is". Ook Bernard van Clairveaux, zeer controversieel en de stichter van de Cistercienzers kan niet onvermeld blijven. Met zijn preken - hij werd de „honingzoete" genoemd - introduceerde hij de zogenaamde bruidsmystiek. Mede door zijn inspiratie stonden op grote schaal vrouwen op, die zichzelf bevrijdden van kerk en huwelijk om op originele wijze - als „begijn" - een geheel eigen en mystiek leven te leiden. Twee belangrijke vertegenwoordigsters zijn Hadewych en Marguerite Porete. De laatste zegt: „De vergoddelijkte ziel heeft zelfs aan God geen behoefte meer". Elders verkondigt de benedictijner abt Joachim van Fiore het „Derde Rijk" waarin uiteindelijk alle mensen „verlicht zullen zijn door de heilige Geest". De inspiratie hiervoor was overgewaaid uit het hesychasme, de enige mystieke beweging binnen het christendom, die met behulp van lichaamshouding en ademcontrŰle de meditatieve inkeer (Jezusgebed) beoefende. Deze was op haar beurt weer geinspireerd door indische en boeddhistische monniken die in de eerste eeuwen in de egyptische woestijn leerden (en later door het Neo-platonisme)... Ook de dualistische gnostieke secten lieten zich niet onbetuigd. Vanuit het vroegere manicheÔsme ontstonden via de paulikanen en de bogomilen uiteindelijk de veelbesproken katharen, de „secte" die vooral in ItaliŽ en Zuid- Frankrijk zijn bloei had. En wat te zeggen van het optreden der latere troubadours die in poŽzie en muziek de hoofse liefde bezongen?

33. Waar op zoveel fronten tegelijk zoveel mensen door oorspronkelijke inspiratie zijn bevangen, daar kan de repressie van een machtsinstituut niet uitblijven. Het eerst werd getracht het „kwaad" met de eigen middelen te bestrijden. Daartoe werden door de paus de zogenaamde „bedelorden" in het leven geroepen: dominicanen („honden van God") en franciscanen, volgelingen van de gezagsgetrouwe Franciscus van AssisiŽ. Deze „orden" moesten een zo goed mogelijke copie van de succesvolle „ketterse" armoedebewegingen (humiliaten en waldenzen) worden met het doel mensen die zich tot de armoede aangetrokken voelden binnen de kerk te houden („Derde orde van St.Franciscus"). Terwijl Franciscus zelf „een succes" was, trof het lot vooral zijn beste volgelingen: de spiritualen (...). Toen namelijk de franciscanen waren geslaagd in de pauselijke opdracht, gaf deze vervolgens het bevel de regel van Franciscus „te verzachten" (om ook hier mogelijke „ontsporingen" te voorkomen). Diegenen die echter trouw bleven aan de oorspronkelijke gelofte werden op pauselijk bevel massaal afgeslacht. Dominicus volgde een andere weg. Hij geloofde in een directe rol bij het bestrijden van ketters. Aanvankelijk gebeurde dit uitsluitend door overreding, hij werd hiertoe meermalen door de paus naar de katharen gestuurd, later stemde hij - in samenwerking met de toen opgerichte inquisitie - in met fysieke vervolging, verbanning, confiskering, marteling en doodstraf (verdrinking, brandstapel). Om zich naar buiten toe van misdaden schoon te wassen, werden de veroordeelden door de inquisitie op bijzonder huichelachtige wijze „aan de wereldlijke macht" overgedragen, die het slachtoffer dan berechtte. De meesten waren „ketters", aanhangers van bewegingen, leraren (of alleen maar mensen die hiervan verdacht werden) - onder wie vele verlichten en mystieken - met leerstellingen die door de kerk waren of werden veroordeeld. De veroordelingen waren vrijwel altijd geŽnsceneerd, de schuld stond bij voorbaat vast.

34. Wat misschien minder bekend is, is dat de inquisitie (vervolgens) een groot aantal eeuwen lang de samenleving met zijn terreur volledig in zijn macht had. Iedereen bespioneerde iedereen. Een vermoeden of roddel was reeds voldoende om door de handlangers van de Inquisitie, die letterlijk overal zaten, opgepakt te worden. Zelfs de besten deden hieraan mee. Zo schreef de visionaire Hildegard van Bingen brieven aan de bisschop van Mainz om toch vooral iets aan het probleem van de „ketters" te doen; sprak Jan van Ruusbroec zijn afschuw uit over de persoon van Bloemaerdinne en bestempelde Bernard van Clairveaux (de „honingzoete!") de „heidenen" als „honden" die men vernietigen moest. De begijn Marguerite Porete is door een complot uit eigen kring op de brandstapel beland. Een beter voorbeeld voor de latere Gestapo was er dus niet (die ook daadwerkelijk door de inquisitie was geÔnspireerd). Het was hierdoor dat de reactie uiteindelijk aan het langste eind trok: het vernietigen van alle oorspronkelijke inspiratie, „ketters" en vrijdenkers. De weerstand van de mensen was op het laatst volkomen murf; het zelfgenezend vermogen van de cultuur voorgoed verdwenen. De mens had geen keuze: door de definitieve breuk met „Hemel en aarde" kon hij alleen nog maar terugvallen op het „zelf". Nog was de duistere kracht niet uitgewoed. In een volgend tijdperk (INBEELDING) zouden grote groepen vrouwen („heksen") hetzelfde lot beschoren zijn.

35. Commentaar: De Mystiek der Middeleeuwen als voortzetting van de VERLICHTING is een cruciaal moment in de geschiedenis van de westerse ONTREDDERING. Het was een „heroische poging" de innerlijke traditie voort te zetten. Vooral de „Broeders en Zusters van de Vrije Geest" en de „katharen" met hun inspiratie naar anderen (orthodoxe mystici, begijnen, burgers) waren daarbij de dragers van het ware Licht. Zij vertegenwoordigden de Zelfrealisatie: "het Goddelijke als mijn diepste Wezen". Zij hadden de moed met hun ervaringen direct aan het licht te komen. Hetgeen hen niet in dank werd afgenomen. De repressie van de kerk speciaal ten aanzien van hen was dan ook niets ontziend. Dat is begrijpelijk, aangezien spirituele verwerkelijking de kerk overbodig maakt. Was hun leven vaak een regelrecht drama, hoe deerniswekkend daarentegen het leven van hen (orthodoxe mystici) die zich in alle mogelijke bochten wrongen om toch maar vooral in overeenstemming met de leer van de kerk te blijven. ContrŰle en feedback van de innerlijke ervaring is zeker aan te bevelen en vaak noodzakelijk, gezien de vele struikelblokken en „dwaalwegen", maar dan zeker niet opgelegd door een instituut dat nu juist vanuit spirituele onwetendheid was ontstaan. Door haar ingrijpen heeft de kerk verhinderd, dat de verschillende stromingen, scholen, „secten" (gnostiek, pythagorese school, neo-platonisme) van binnenuit een eigen controle op de spirituele kwaliteit konden gaan uitoefenen. Zoals dat bijvoorbeeld in het boeddhisme altijd het geval geweest is. De onderdrukking was daarentegen zo volledig, dat tot aan de dag van vandaag er nooit meer een echt herstel is geweest. Grof gezegd heeft het westen sindsdien nauwelijke echte „spiritualiteit" gekend, zij het uitsluitend in verminkte en verwrongen vorm. En wat men tegenwoordig „New Age" noemt, is dan ook een inhaalmanoevre.

De Inbeelding

De „Renaissance"

36. De Renaissance wordt algemeen als een hoogtepunt in de europese cultuur beschouwd. Laten we daarom eerst de officiŽle geschiedschrijving aan het woord om ons een indruk te geven van die tijd. Het was zo zegt men een „nieuwe" tijd van constructieve openheid tegenover de wereld. In tegenstelling tot de Middeleeuwen waren de mensen „van deze wereld": seculier. Vooral in ItaliŽ ontstond een klimaat waarin vele facetten van de persoonlijkheid ontwikkeld konden worden. De wereld was zo opwindend, dat er geen behoefte meer was aan het „hiernamaals". Eigenbelang stond voorop. Het genieten van mooie dingen en de psychologische bevrediging ervan werd benadrukt. Zaken doen en fortuin maken stonden hoog aangeschreven. In plaats van „verzaking van de wereld" kwam een gevoel van eigen kracht, het sterke individu dat zijn eigen wereld schiep. Alles: zaken, kunst, literatuur, politiek was een manifestatie van individualisme. Willen uitsteken boven anderen werd aangemoedigd. Alles was realistisch en feitelijk, alleen de zichtbare „objectieve" werkelijkheid was van belang met onafhankelijkheid in de kunst, waarin de drie-dimensionale ruimte werd benadrukt. De uiterlijkheid der dingen stond centraal. Ook de literatuur was van deze wereld. Verhalen werden geschreven, deels om te vermaken, deels ter vorming van karakter en gedrag. Dit sloot aan bij het systeem van opvoeding. Een nieuwe kritische attitude sprak eruit. Uiterlijkheid, goede manieren en etiquette waren onontbeerlijk voor maatschappelijk succes. Machiavelli beschreef de nieuwe politieke realiteit: „heersers en regeringen handelen uitsluitend vanuit eigenbelang". In ItaliŽ was de breuk met de Middeleeuwen overigens het meest volledig. Naast de betrokkenheid bij de nieuwe ontwikkelingen worstelde Noord-Europa echter nog met het verleden.

37. Opvallend in deze beschrijving is de moderne sfeer. Het valt niet moeilijk jezelf erin te herkennen. Zo te zien is er sindsdien weinig veranderd. En misschien is dat ook zo. Onze stelling is immers ook, dat de Renaissance een breuk met het verleden en de opening naar een nieuw tijdperk is. (Het ego-tijdperk dat culmineert in de grote ONTREDDERING van vandaag). Aan bovenstaande beschrijving doen wij dan ook niets af. Alleen, hoe kunnen deze feiten worden geÔnterpreteerd? Als triomferende wedergeboorte en losmaking uit de knechtende banden van middeleeuwse religiositeit en kerkelijke onderdrukking? Ongetwijfeld. Maar is dat de enig mogelijke zienswijze? Een van de problemen is de reeds boven gesignaleerde. Wij hebben ons met de waarden en het gedrag die sinds de Renaissance zijn ontstaan zo vanzelfsprekend (positief) geidentificeerd, dat het moeilijk is plotseling deze zelfde feiten vanuit een volkomen ander perspectief te zien. De opzet van dit boek is echter juist datgene. Het perspectief is de spirituele mens, de mens die zichZelf is in verbondenheid: „geworteld in Hemel en aarde".

38. Laat ik een eerste stap wagen. De Renaissance mens heeft duidelijk een sprong van binnen naar buiten gemaakt, van het innerlijk naar de periferie, de openheid tot de wereld. Een opvallende uiterlijkheid en interesse in de „dingen" is onmiskenbaar. Deze stap is overigens vrij abrupt gemaakt. Ook is opvallend dat in tegenstelling tot het „collectieve" van de Middeleeuwen het individualisme, het geloof in de eigen kracht voorop is komen te staan. Onverhuld eigenbelang viert hoogtij. Geld is een grote rol gaan spelen. De realiteit beperkt zich tot de zichtbare dingen. Religiositeit is achterhaald. In plaats van overgeleverd te zijn aan „hogere krachten" heeft men de dingen naar zichzelf toegehaald. Men is de trotse bezittter van zowel aardse goederen als goede manieren. Een ruime mate van zelfgenoegzaamheid, ja arrogantie is onmiskenbaar. Men is niet meer onderworpen aan „hogere machten". Politiek is machtsstreven uit eigenbelang geworden. Nu de dingen in eigen hand zijn, kan de feitelijkheid der dingen en gebeurtenissen worden erkend. Men is baas in eigen huis geworden.

39. Mijn stelling is, dat tegelijk met de bevrijding uit de opgelegde religiositeit, de ziekte van het verleden (de kerk en zijn terreur), er tevens een innerlijke sprong was gemaakt: die van het innerlijk naar het uiterlijke, die van het Zelf naar het ego, van verbondenheid naar eigenbelang. Vanuit de psycho-spirituele dynamiek gezien had de mens van die tijd „geen alternatief". De verdere ontwikkelingen naar werkelijk geworteld-zijn in „Hemel en aarde" - de optimale toestand van een werkelijk volgroeid mens - waren immers onmogelijk gemaakt. Persoonlijke isolatie was het enige antwoord op een omgeving die ondraaglijk geworden was. De enige uitweg was de „terugval" op het kleine zelf, als de enige instantie (die nog over was) waarmee men zich kon vereenzelvigen. Hetgeen tevens een compensatie was voor het geleden verlies wat echter (logischerwijs) niet zo ervaren werd. Na zoveel ellende te hebben doorgemaaakt, lag het accent op het nieuwe en het binnenhalen van nieuwe verworvenheden in plaats van op de verwerking van het oude. De geboorte van de westerse persoonlijkheid: het individualisme, het „bijzonder" willen zijn, het gericht-zijn op de buitenwereld...is dus in feite een afschermen geweest van ondraaglijk (innerlijk) leed, een overlevingsmechanisme. De bovengenoemde feiten („Renaissance") komen dus nog weer in een iets ander licht te staan. Veel van de latere ontwikkeling van de cultuur kan eruit verklaard worden. Terugval op het zelf („zelfverslaving", ego, INBEELDING), terwijl alle andere innerlijke wegen zijn geblokkeerd, betekent dat vanaf dat moment het ego de enige innerlijke instantie is. De spiegel van het Zelf (God) is verdwenen, verwezen naar het onderbewuste, verdrongen. De verbondenheid met de omgeving als levende realiteit is onherkenbaar geworden. Men is „teruggeworpen op zichzelf". Terwijl het ego - als enige innerlijke instantie - nergens meer „verantwoording hoeft af te leggen", is men in feite aan het ego uitgeleverd. Terwijl men zichzelf ervaart als vanuit een nieuw „krachtcentrum", is men tegelijkertijd door het ego gedomineerd. Genieten van de dingen (en terecht!) is - bij afwezigheid van enige transcendentie - in feite ego-verslaving. Zo is de kerk zelf de oorzaak geweest van de - met de INBEELDING ingezette - „secularisatie" van de maatschappij.

40. Twee dingen bepaalden de abrupte overgang van de tijdgeest: het definitief afgesneden-zijn van elke verdere innerlijke ontwikkeling door de eeuwenlange onderdrukking EN het onvermogen de gigantische last van angst, woede en pijn verder te verwerken. In dezelfde tijd waarin men zich met nieuw ťlan en enthousiasme in het nieuwe stortte, werd het oude naar het onderbewuste verwezen. Het ego kan een dergelijk grote emotionele last niet aan, deze werd daarom tot schaduw, het afgewezen deel in de persoonlijkheid, daar waar al het onverdraaglijke is opgeslagen. Dit laatste wordt dan niet meer in het bewustzijn toegelaten. Het ogenschijnlijk „sterke ik" (INBEELDING) heeft zo een permanente tegenhanger gekregen. Deze wordt HET kenmerk van de westerse persoonlijkheid (overigens ook van de oosterse, maar dat is een ander verhaal): „je bent degene bij wat je buitensluit". Je identiteit is gevormd door buitensluiting van datgene dat niet in je zelfbeeld past. Alles binnen dat zelfbeeld is „eigen", wat erbuiten is, is vreemd, het „andere". In dit andere wordt nu alle onbewust geworden emoties uit het verleden geprojecteerd. De ander wordt zo het slachtoffer van eigen verdrongen leed. Onbewust betekent dat: „hij/zij zal voelen wat mij is aangedaan". Welnu, ons westerse mensen (en niet alleen wij) is gigantisch veel aangedaan. Ons hele collectieve onderbewuste is erdoor gekleurd. Zelfs in zo’n mate dat wij collectief niet in staat waren deze last te verwerken. De INBEELDING was een manifestatie van onvermogen tot en weerstand tegen het verwerken van het verleden. Wij hebben geen rouwproces doorgemaakt. Het is daarom dat vooral wij westerse mensen de „ander" tot voorwerp van onze agressie hebben gemaakt. Dit uitte zich reeds in dezelfde tijd in de niets ontziende vervolging van die „ander" die de man het meest nastaat: de vrouw.

41. Van het verdrongen „andere" naar het „kwade" was helaas slechts een kleine stap. Hierbij speelden verschillende oorzaken een rol. Ook de „Renaissance" had de mannelijke onvolgroeidheid in relatie, gevoelens en erotiek, zijn frustraties rond de sexualiteit, zijn heimelijke angst en insufficiŽntiegevoelens ten opzichte van de vrouw niet wezenlijk veranderd. Dit was sinds onheugelijke tijden immers reeds een onderdeel van zijn schaduw geweest! Zoals boven reeds werd aangeduid, was bovendien in het noorden de overgang naar de nieuwe tijd niet zo abrupt en volledig. Hier waren bepaalde ontwikkelingen doorgegaan: de positie van de kerk en zijn terreur, het bijgeloof in kwade machten, de herinnering aan het recente verleden. Een gisting van tegengestelde krachten bepaalde het innerlijk en het dagelijks leven. Terwijl in ItaliŽ de triomf van het „zegevierende ik" gevierd werd, werd het noorden bepaald door verscheurende conflicten. Deze spanning liep dermate op, dat deze zich ontlaadde. Toen dan ook een jezuit zijn boek „de Heksenhamer" uitgaf, barstte de hel los. De vrouw als „heks", als zinnebeeld van het kwaad, betoverd door de „duivel", zou iedereen bedreigen en naar de ondergang voeren.

42. De kerk zag onmiddellijk nieuw terrein zijn inquisitieterreur voort te zetten. (De organisatie is overigens nooit echt opgeheven. Zij bestond recentelijk nog als het „Heilig Officium van de Geloofsleer!"...), de mannen konden hun verdrongen haat op vrouwen afreageren. Evenredig aan de verdrongen last uit het verleden (bedenk dat deze erfenis sinds het begin van de jaartelling ook het gedrag van de „apostelen" en hun opvolgers had bepaald) werd aan de vrouwen onnoemelijk veel leed toegebracht. Naar willekeur is eeuwenlang huisgehouden met schijnprocessen, marteling, verdrinking en dood door de brandstapel als de favoriete bezigheden. Men had de vrouw betaald gezet „voor wat zij hen (de mannen) had aangedaan". Dat de vrouwen niet de laatsten waren, zal iedereen bekend zijn. De schaduw was (is) nog lang niet uitgewoed. Waren de Joden, de heidenen (denk ook aan de „kruistochten", onder andere aangezet door dezelfde Bernard van Clairveaux), de filosofen, de ketters en de vrouwen „reeds aan de beurt" geweest, toch zou men nog vaker in herhaling vallen, onder andere door de onderwerping of/en uitroeiing van andere (natuur)volken en de jodenvervolgingen in het (recente) verleden. Of in de woorden van de indiaanse schrijver Vine Deloria: „Overal waar het kruis gaat, is er nooit meer leven in overvloed - alleen dood, vernietiging en tenslotte verraad..."

43. Commentaar: De koppeling ego-schaduw heeft zich sindsdien geconsolideerd. Daarbij zijn beide onverbrekelijk met elkaar verbonden. Het ego verwijst daarbij onverteerbare ervaringen naar het onbewuste, de schaduw versterkt het ego in zijn afweer en onderdrukking. Beide versterken elkaar in hun voortbestaan, zij zijn hopeloos op elkaar aangewezen. In eerste instantie leidde dit tot expansie van het ego. Op alle mogelijke terreinen werd de activiteit uitgebreid. Echter zonder de aanwezigheid van een innerlijke context, een waarin de ego-schaduw polariteit „rust kan vinden", leidt deze tot ondraaglijke innerlijke spanningen. Werd de uitlaatklep dus eerst nog gevonden in de expansie (kolonisatie, INFLATIE en in het kapitalisme), later in ontsporingen als het fascisme, uiteindelijk mondde zij uit in de collaps van de grote ONTREDDERING. Het daarmee gepaard gaande contrŰleverlies over zowel innerlijke als uiterlijke zaken kan in de OMMEKEER slechts worden opgevangen door het volledig herstel met de wortels. Alleen bewustwording en verwerkelijking van het ware Zelf kan de innerlijke patstelling doorbreken en een nieuwe integratie, heelwording en dynamiek in gang zetten.

De Inflatie

De „Verlichting"

44. Typerender kan het niet: het ego dat zijn eigen opgeblazenheid het tijdperk van „Verlichting" noemt. De reden? Bij afwezigheid van het Zelf - de enige poort naar Verlichting - was de mensheid definitief teruggevallen op het kleine zelf (ego). Men wist nu niet beter als dat dit zelf de „kern" van de persoonlijkheid was. Het Griekse Logos - hetgeen oorspronkelijk ware Zelf betekende - werd nu dan ook als „ratio", het verstand, opgevat. In plaats van het cultiveren van ware innerlijkheid werd alles uitsluitend afgemeten aan uiterlijke successen en die waren in deze periode overal zichtbaar. Men identificeert zich steeds verder met de buitenwereld en het intellekt. De INFLATIE heeft echter niets met werkelijke Verlichting te maken. Zij is er juist het uiterste tegendeel van, het gevolg van afwezigheid van de laatste. Centraal in het mechanisme van INFLATIE staat de idee van „vooruitgang", het gevoel dat „de tijden steeds beter worden". Steeds zijn er nieuwe inzichten en verworvenheden, die het leven steeds verder verrijken. Uitvindingen, wetenschap, kunst en literatuur beleven alle verdere bloei. Vooral de natuurwetenschappen breidden zich uit. God was minder de God van liefde als wel de oneindige intelligentie, die het universum als een „klok" deed lopen waarvan Newton de mathematische wetten formuleerde. Allerlei soorten kennis hadden gretig aftrek. In deze tijd hielden invloedrijke dames „salons" waar mensen en ideeŽn samenkwamen. Sociale vooruitgang was een favoriet onderwerp. Voltaire en Montesquieu werden gretig gelezen. De zich steeds uitbreidende intellectuele kennis werd samengevat in steeds dikker wordende „encyclopedieŽn" en overal ijverig nageslagen. De ideeŽn van Descartes „ik denk, dus ben ik" beheersten nu een heel tijdperk: Die van de „rede". Alles wat niet door de rede begrepen of verklaard kon worden, deed niet mee in het openbare leven. „Ondergronds" waren er echter wel degelijk „irrationele stromingen". Zowel piŽtistische literatuur alsook bijvoorbeeld vrijmetselarij bloeide overal in Europa. Populaire wetenschap overdreef vaak de claims van echte onderzoekers met betrekking tot het manipuleren en controleren van de natuur.

45. Door het verlies van de context van „Hemel en aarde" - het wegvallen van het geÔntegreerde wereldbeeld - was het „ik" een eigen leven gaan leiden (INBEELDING). Zoals het „ik" zich afsplitste van het Zelf, maakten met het begin van het industriŽle tijdperk wetenschap, technologie en economie - de verlengden van dat „ik" - zich defintief los van de oorspronkelijke spiritueel-religieus-cultureel vastgestelde matrix en daarmee uit de sociale contrŰle van de samenleving. Zij ontsnapten uit de doos van Pandora. Het nieuwe rationalistische, intellectuele en wetenschappelijke reductionisme - als autonoom groeiend complex - was bepalend voor de verdere voortgang van de cultuur. Binnen zichzelf enorm expanderend („vooruitgang"), was het tegelijkertijd een enorme reductie en verarming van zowel de innerlijke als de uiterlijke wereld. Was de INBEELDING nog een tijd waarin het „zelf" in al zijn aspecten contact met de werkelijkheid had - vitaal, verbeeldend, genietend, creŽrend - dit was in de INFLATIE grotendeels teruggebracht tot intellectuele activiteit. Binnen die activiteit werden echter „hele werelden" ontsloten.

46. Het raakt een van de kernproblemen van het intellect. Met het vermogen in de eigen denkwereld „alles te scheppen", wordt de noodzaak tot contact met de werkelijke wereld steeds minder gevoeld. Men leeft alleen nog in zijn eigen denkwereld. „In gedachten-zijn" heet het dan ook. Dit leidt tot zelfvervreemding en contactverlies met de werkelijkheid, „ik denk, dus ben ik niet" (...). Het gevoelsleven verarmt. Men ziet wel een boom, maar voelt er niets meer bij. Men wordt door niets meer echt geraakt. Men wordt voortdurend door de gedachtenstroom op sleeptouw genomen; de laatsten blijken sterker dan het „ik". Men is voortdurend „in beslaggenomen". Daarom is het intellektuele zelf inflatoir. Het is een afgeleide en verzwakte vorm van het totale zelf. Men is nog slechts met een deel van het zelf geÔdentificeerd. De opgeblazenheid moet het gemis aan echte voldoening compenseren. Voor zichzelf is de eigen wereld „zonder grenzen", terwijl het steeds moeilijker wordt met „andere denkwerelden te communiceren". Vereenzaming temidden van de intellectuele overvloed is het gevolg. Nergens wordt dit beter gevoeld als in ons „tijdperk van communicatie". Ondanks alle technische hulpmiddelen - satelliet, computer, video, handy, internet - voelen we ons meer dan ooit op onszelf teruggeworpen.

47. Commentaar: Het mechanistische wereldbeeld en de reductie van het zelf tot het intellect werd een nieuwe stap in verschraling van de cultuur gezet: INFLATIE. Nu werd zelfs binnen het zelf een stap teruggezet. Van „volheid" naar intellectuele verarming. Door het gebrek aan innerlijk houvast (gevolg van het ontworteld-zijn, het contaktverlies met „Hemel", „aarde" en zichzelf) is men aan de eigen gedachtenwereld overgeleverd. Deze blijkt sterker dan jezelf. De weg was open naar de volledige dominantie van de technologie zoals wij dat hedentendage aan den lijve kunnen ondervinden. Deze creŽerde een surrogaatwereld om het verlies van het Zelf, optimale menselijke verhoudingen en contact met de natuur te compenseren. In zulke mate, dat de oorspronkelijke context - zelfs als dit met inzet geprobeerd wordt - nauwelijks meer terug te vinden is. NB. De huidige ONTREDDERING echter uitsluitend toeschrijven aan de gevolgen van het „mechanistische wereldbeeld" in tegenstelling tot het „holistische" is echter veel te simpel. Kenmerkend voor onze crisis is, dat het zich juist niet alleen in de voorstellingswereld afspeelt, maar het gevolg is van existentiŽle ontworteling. De crisis is (oneindig) veel ernstiger, omvattender, dieper en dus...veelbelovender. Vrijblijvendheid („New Age") is dus wel de laatste houding die hier op zijn plaats is.

Restauratie 2

De Romantiek

48. Bij een zo eenzijdige ontwikkeling kon een reactie niet uitblijven. De balans van het leven dreigde geheel naar een kant uit te slaan, de grond volledig onder de voeten weggeslagen. Door sommigen werd het verlies van contakt met de natuur, de medemens en God te sterk gevoeld. Nostalgie naar het (geidealiseerde) verleden kwam in de harten op. Rousseau was daarbij een van de eersten. Hij had meer vertrouwen in spontaan gevoel dan intellectuele kritiek, meer in sociale gelijkheid dan een autoritair regiem, meer in de natuurlijke krachten dan in de corruptheid en kunstmatigheid van de maatschappij. Door zijn opvolgers o.a. Byron, Victor Hugo en Schiller werden alle waarden van de „Verlichting" fundamenteel in twijfel getrokken. Er werd onderzoek gedaan naar de waarheid, naar menselijke kwaliteiten anders dan alleen het intellect, de relatie tussen denken en voelen bijvoorbeeld en de betekenis van het verleden. Het werd een geheel eigen stroming. Ontvankelijk als men was, werd in plaats van de strenge indeling van de werkelijkheid door de rede, voorkeur gegeven aan „onbestemde gevoelens en stemmingen". Afschuw was er van de tendens alles in hokjes op te delen, te classificeren, te abstraheren of te generaliseren. Voor kant en klare oplossingen waren zij achterdochtig. In tegenstelling daartoe werd men geboeid door het onbekende, het mysterieuze en verre einders. Wat zij in de „Verlichting" misten was spirituele diepte (...). De Romantiek kende werkelijke Verlichten (zoals iedere tijd overigens). Schiller was een van hen. Het slotkoor uit de 9e symfonie van Beethoven „An die Freude" is in feite een extatische lofzang op zijn verlichtingservaring. Er werd dan ook geloofd in de buitengewone persoonlijkheid, een genius op zijn of haar gebied. Ook een volk kon deze kwaliteiten bezitten, een „Volksgeist" zoals Herder hem beschreef, een die richting moest geven aan het gehele eigen karakter van een natie.

49. Dat dit vroeger of later kon leiden naar een of andere vorm van totalitair systeem, kon toen niemand bevroeden. Alles hangt af van het samenkomen van de juiste tijd en omstandigheden, van voorwaarden die op de juiste manier vervuld worden. Feit is, dat de Romantiek te zwak was om de hele samenleving in hun zin om te buigen. Politieke en economische machtsfactoren, de voortgang van de wetenschap en het opkomen van de nieuwe ideologieŽn (kapitalisme, liberalisme, socialisme) maakten dit onmogelijk. Het verlangen naar heelwording werd opnieuw naar het onderbewuste verwezen. Terwijl het latere communisme vooral gericht was op het verkrijgen van sociaal-economische gelijkheid, gingen de krachten onder wat later het fascisme zou worden duidelijk veel dieper. Was het eerste een voortvloeisel uit intellectuele, filosofische en maatschappelijke kritiek (Marx), de tweede was geŽnt op een geheel scala van menselijke emoties en drijfveren. Het leek of de verloren erfenis van een gehele cultuur naar boven kwam. Het gevoel van verlies van de nationale (Duitse) identiteit (na de eerste wereldoorlog) bracht het verlies van „Hemel en aarde" naar boven, samen met de (onbewuste) haat ten opzichte van diegenen, die hen deze erfenis had ontnomen. Slechts beschadigde mensen met minder ik-contrŰle hadden het twijfelachtige voorrecht dit verlangen naar heelwording het sterkste te voelen. (Bij de meer intellectuelen was contakt met de verloren „ziel" volledig onbewust gebleven). Geen wonder dus dat de manier waarop die heelwording bereikt moest worden vanaf het begin verwrongen was. De haat werd in de Joden geprojecteerd, als die „anderen" die voor het verlies van het „eigene" verantwoordelijk werd gesteld. De kerk was daarbij het grote voorbeeld. Deze had de Joden immers al eeuwenlang vervolgd en verantwoordelijk gesteld voor het „verlies van Christus".

50. Mijn stelling is, dat alleen vanuit een spiritueel-maatschappelijk perspectief een juiste beoordeling te maken is over de grondslagen, drijfveren en uitwerking van het fascisme. Met het opkomen van extreem rechtse organisaties overal in Europa lijkt dit zelfs dringend geboden. Wellicht kunnen wij iets nieuws leren, om verdere voortgang van rassenhaat en alles wat ermee samenhangt te voorkomen. In de kiem, zo stel ik vast, was het fascisme een poging tot RESTAURATIE, voortgekomen vanuit de impuls van de Romantiek. Uitdrukkelijk als zodanig opgevat! was (en is) het een begrijpelijke schreeuw naar heelwording, de culminatie van alle verdrongen emoties van een gehele cultuur. Dit wordt ervaren als Het Grote Verlies. Het verlangen naar het eigen land, het eigen volk en de verlossing door een leider geeft precies aan waar het omgaat. De "verlamming van de cultuur" roept om vernieuwing der vitale kracht. Dit Grote Verlies creŽert het „oerverlangen" naar het eigene zowel als de emoties van haat tegen diegenen die het verlies „hebben veroorzaakt" en die bij pogingen tot herstel „van de oorspronkelijke situatie in de weg staan". Het is op deze manier, dat de onderliggende drijfveren beter kunnen worden begrepen. Als aanvulling op de duizenden boeken die na de tweede wereldoorlog over het fascisme zijn verschenen en die vrijwel uitsluitend intellectuele interpretaties bevatten, lijkt de existentiŽle benadering een noodzakelijke aanvulling te zijn.

51. De tegenstelling tussen bijvoorbeeld de Amerikaanse revolutie en het fascisme kan veel duidelijkheid brengen. De eerste was het verzet tegen de verstrengeling van kerk en staat zoals die toendertijd in Engeland bestond in feite teruggaande tot de tijd van de romeinse Keizers. Het was een roep tot vrijheid van onderdrukking. Daarbij werd aangesloten bij en inspiratie geput uit de vroege christenheid, het verzet tegen de romeinse overheerser, het losmaken uit de oude banden en de verwachting van een „koninkrijk" en de hoop op het vestigen van een „christelijke maatschappij". De Amerikaanse revolutie was in navolging van de eerste christenheid een ontworteling uit de oude benauwde banden. RESTAURATIE 2 met het daaruit voortgekomen fascisme beoogde daarentegen precies het omgekeerde. Zijn impuls was gericht op het opheffen van de zelfvervreemding juist als gevolg van de christelijke ontworteling en het herstel van de heelheid van de oude (heidense, romeinse) maatschappij. Het beoogde het herstel van de „Volksgemeinschaft". Dit antagonisme tussen „vrijheid" (christendom) en „integratie" (verbondenheid) - de christelijke „vrijheid" van de eerste eeuwen was immers de oorzaak voor de ontworteling van de toen bestaande samenleving - zoals die diep in onze geschiedenis ingegrift is, verklaart de intense en grondige afschuw die vertegenwoordigers van beide richtingen tot op de dag van vandaag voor elkaar voelen. Nu echter recentelijk het bankroet van de te ver gegane vrijheid (ontworteling en chaos) op grote schaal duidelijk wordt, staan we - misschien voor het eerst - voor de opgave vrijheid en verbondenheid tot elkaar te brengen zonder daarbij in extremisme te vervallen.

De Ontreddering

De (Post)Moderne Tijd

52. Stellen we in ons concept de „beweging van de cultuur" voor als gaande van centraal naar perifeer, dan zijn wij nu bij de buitenste schil aangekomen. Gemeten aan ons uitgangspunt „de mens geworteld in Hemel en aarde": in eenheid met zichzelf, zijn lichaam en de natuur, zijn medemensen in voortdurende overgave aan het Uiteindelijke, dan vinden wij daar in onze moderne tijd vrijwel niets meer van terug. De mens is volkomen vervreemd van zichzelf, zijn lichaam en de natuur, zijn medemensen en het Goddelijke. Hij is daardoor willoos overgeleverd aan innerlijke en uiterlijke impulsen. Hij heeft geen herkenbaar innerlijk (Zelf) als het centrum van bewustzijn, waardoor hij zich innerlijk leeg, chaotisch en gedesorienteerd voelt. Hij is overgeleverd aan elke willekeurige afleiding, impuls en manipulatie. Ononderbroken overgeverd aan zijn eigen gedachten-, voorstellings- en wenswereld heeft hij het contact met de werkelijkheid verloren. Bij afwezigheid van het HierNu leeft hij in de illusies van verleden en toekomst. Hij wordt door de gebeurtenissen bepaald. Zijn kunstmatige ik (zelfbeeld) heeft „geen been om op te staan" en moet zich voortdurend beveiligen tegen identiteitsverlies, vandaar de nooit aflatende zucht naar zelfhandhaving, onderdrukking, verdringing, contrŰle, beheersing en veroveren.

53. Zo creŽerde hij de moderne wetenschap, technologie en het kapitalisme, die hem vervolgens in hun ban hebben. Zijn gevoelswereld is verschraald en wat „je niet voelt, dat raakt je niet". Subtiliteit, schoonheid en balans zijn ver te zoeken. De liefde lijkt gereduceerd tot oppervlakkigheid, zelfzucht en relatieproblemen. Het mededogen ten opzichte van anderen lijkt te zijn opgedroogd. Onwetendheid, zelfbetrokkenheid en onverschilligheid vieren hoogtij. Alles doet onwerkelijk aan, een grote virtual reality, een schijnwereld waar niets er meer toe doet. Een wereld vol surrogaatbeleving, waar niemand meer echt betrokken is. „Ik kijk TV, dus ik ben". De mensen zijn op zichzelf teruggeworpen, zij lopen op straat in beslaggenomen door hun eigen gedachten: afwezig, als in een trance. Gereduceerd tot consumptieslaven doen zij hun dagelijkse plicht: werken en inkopen doen. „Hebben" heeft de plaats van „Zijn" volledig ingenomen, het treurigste „menselijke niveau" dat de geschiedenis ooit gekend heeft. De mens voelt zich ontworteld. Weinig mensen voelen echte betrokkenheid bij de plek, buurt of regio waar zij wonen. Velen leven in angst en onzekerheid en...armoede, in grote ONTREDDERING. Stress en ziekte nemen dramatisch toe. Terwijl „de problemen in de buitenwereld" inmiddels niet meer te overzien zijn. Zij zijn een afspiegeling van onze innerlijke toestand.

De productie is er niet voor ons, wij zijn er voor de productie

54. Mijn stelling is, dat alle voorwaarden die tot onze ONTREDDERING hebben geleid alle in de geschiedenis aanwezig waren. De moderne mens krijgt de rekening van eeuwen gepresenteerd. Alles van het verleden heeft zich in de huidige tijd geculmineerd. De maatschappij is de neerslag van collektieve verslaving, een waarin de mens zelfs zijn drang naar overleven heeft verloren. Daar moeten zeer diepe oorzaken voor bestaan. In een zin samengevat is dit: het verlies van contakt met de werkelijkheid. Hierbij kan het Christendom als hoofdverantwoordelijke worden aangewezen. Terwille van haar middelaar - de kerk - werd met geweld 's mensen wortels: het directe contact met „Hemel en aarde" doorgesneden.  In plaats van zelfregeneratie - door voortdurend terug te kunnen gaan naar de innerlijke Bron - werden de mensen massaal onderdrukt.

Door zijn accent op "persoonlijke verlossing" is het Christendom de grondoorzaak van het moderne individualisme

55. Allereerst was er de definitieve breuk met de aarde en de natuur. De natuur belichaamde vrijwel alles wat slecht en verwerpelijk is. Overal werden heidense plaatsen vernield, bomen omgehakt, bossen in brand gestoken en bronnen drooggelegd of vergiftigd. Met afschuw werd gepreekt en geschreven over „de zonden der natuur", de gebruiken van de „heidenen", het kwade en de duivel, over de vrouwen en hun lichamelijkheid, terwijl liefde werd gereduceerd tot „liefde tot Christus" en de „naaste". Erotiek en sexualiteit werden in het gunstigste geval gedoogd, echter meestal gelijkgesteld met ontucht en hoererij. Zij werden gereduceerd tot „instrumenten" van voortplanting, iets wat hedentendage door de r.k.kerk nog officieel wordt „voorgehouden". Het verdwijnen van iedere spiritualiteit uit de erotische liefde, de verloedering van het eigen uitgangspunt „God is Liefde", de vergroving en banalisering van de sexualiteit, kan vrijwel geheel op haar rekening worden geschreven. De „aarde" en de liefde waren de westerse mens daarmee ontnomen die daardoor veroordeeld werd tot een verwrongen, gespleten, onvolgroeide en psychisch zieke persoon, afgesneden van zijn directe omgeving.

De lege kerken van vandaag zijn het resultaat van
2000 jaar onderdrukking

56. Ook met betrekking tot de vertikale dimensie werden de mensen van de Bron afgesneden. In plaats van Zelfverwerkelijking - het HierNu - moest de aandacht geheel op het „hiernamaals" worden gericht. Het gemiste Moment werd (opzettelijk) als verwachting in de toekomst geprojecteerd. In plaats van de oorspronkelijke ervaring van „het Licht is in u" kwam nu het „uw koninkrijk kome". Het leven in de werkelijkheid werd vervangen door „hoop doet leven". Een permanente droomtoestand. Het werkelijkheidskarakter van een hele cultuur werd daarmee onderuitgehaald. Iedereen diende zich op „God" te richten. Deze „God" werd echter geprojecteerd als beeld in plaats van als Werkelijkheid - het HierNu - gerealiseerd te worden. De werkelijkheid werd daarmee gereduceerd tot haar afgeleide, een schijnwerkelijkheid, een „sprookje". In alle latere eeuwen onderdrukte het Christendom vervolgens alle pogingen tot terugkeer naar de werkelijkheid van „Hemel en aarde" ten gunste van haar geloof, in een mate dat met de „Renaissance" de mens definitief was ontworteld. Eenmaal in de zelfverslaving is de weg terug afgesneden. Het ego als volledige breuk met het Zelf beschikt immers niet meer over het genezend vermogen van het geworteld zijn. Het werd en bleef een afgescheiden en van de Essentie vervreemde instantie. Het regenererend vermogen van een gehele cultuur was onderuitgehaald. Hiermee was het kwaad geschied. De spirituele amputatie had verstrekkende gevolgen. De geschiedenis zelf raakte ontredderd. In plaats van het hebben van een spirituele context - kerngeschiedenis - werd zij daarentegen gereduceerd tot een oppervlakkige (en dus zinloze) opeenvolging van gebeurtenissen.

57. Wat er later nog allemaal gebeurde was in verhouding van veel minder belang. Evenals bij het individu zijn de „eerste jaren van de cultuur" voor haar psychologische gezondheid doorslaggevend. Wat in de eerste tien (zestien) eeuwen in het westen was aangericht kon in de tijd die erop volgde nooit meer teruggedraaid worden. Onontkoombaar was vanaf dat moment de verdere degeneratie van de cultuur: Van zelfverslaving (accent op zintuiglijkheid, Renaissance), ego-inflatie (verschraling tot het intellect, „Verlichting") tot de grote ONTREDDERING (consumptieslaven) van vandaag. De kerk als „behoedster van de waarheid" en de „bron van alle heil", zij die het „kwaad van de seculariteit" bestreed, had de mensheid zijn heil en waarheid met macht opgedrongen en streed vervolgens tegen wat zij zelf had veroorzaakt. Ego-expansie c.q. zelfverslaving was immers een overcompensatie voor het gemis aan ware spiritualiteit. Het laatste werd vervangen door een surrogaatwerkelijkheid. Het diepe verlangen naar de wortels, het herstel van contakt met de werkelijkheid - met „Hemel en aarde" - naar jeZelf zijn in verbondenheid; naar eenheid in verscheidenheid, is daarom de oerschreeuw van de westerse mens. Tegen het licht van alle zinloosheid, zou dat nu de „zin" van onze westerse lijdensgeschiedenis kunen zijn: een lijden leidend naar de grote ommekeer.

58.

Literatuur

E.Neumann „The Great Mother" 1974 Princeton
V.Zingsem „GŲttinnen grosser Kulturen", 1999 dtv
B.Walker „GŲttin ohne Gott", 1999 Hugendubel
R. van den Broek & G.Quispel „Corpus Hermeticum", 1996 In de Pelikaan
T.Freke & P.Gandy „De Hermetica", 1999 Element
S.Devi „Son of the Sun", 1996 AMORC
J.Robinson „The Nag Hammadi Library"1988 Leiden.
E.Pagels „De Gnostische Evangelien" 1985 Gaade
M.Buber „Ekstatische Konfessionen" 1929 Berlin
N.Cohn „The Pursuit of the Millenium" 1970 Oxford University Press
N.Cohn „Europe’s inner demons" 1975 Paladin
E.Conze „Buddhism, its essence and development"1951 Harper & Row
G.Denzler „Wiederstand oder Anpassung?"
(Katholische Kirche und Drittes Reich) 1984 Piper
K.Deschner „Das Kreuz mit der Kirche" 1973 Heyne
„Abermals kršhte der Hahn", 1996 Goldmann
„Kriminalgeschichte des Christentums", Band 1/6 1986 Rowohlt
Meister Eckhart „Deutsche Predigten und Traktate", 1979 Diogenes
M.Erbstosser „Ketzer im Mittelalter" 1984 Edition Leipzig
G.Graichen „De nieuwe heksen" 1987 De Kern
H.Grundmann „ReligiŲse Bewegungen im Mittelalter" 1977 G.Olms
C.G.Jung „Four Archetypes" 1959 Princeton.
R.E.Lerner „The Heresy of the Free Spirit", 1972 Berkeley
H.C.Lea „De Inquisitie in de Middeleeuwen" 1966 Spektrum
J.Lindeboom „Stiefkinderen van het Christendom" 1929 Nijhoff
A.Mens „Oorsprong en betekenis van de Nederlandse Begijnen
en Begardenbeweging" 1947 Standaard
W.Nigg „Tragiek en triomf van het geweten" 1965 Ploegsma
E.Pagels „Adam, Eva en de slang" 1989 Servire
G.Palmer e.a. „The Philokalia" 1979 Faber and Faber
R.R.Palmer „A History of the Modern World" 1983 Columbia University Press.
M.Porete „Der Spiegel der einfachen Seelen" 1987 Artemis
K.O.Schmidt „Meister Eckharts Weg zum kosmischen BewuŖtsein" 1969 Drei Eichen
C.Schuurman „Stem uit de diepte" 1978 Ankh Hermes
F.J.Schweitzer „Der Freiheitsbegriff der deutschen Mystik" 1981 Peter D.Lang
J.Sudbrack e.a. „Grosse Mystiker" 1984 C.H.Beck

terug.gif (769 bytes)

© 1999 Copyright by Han M. Stiekema
Last Update: 02/07/05